2008

MOEDERS EN DOCHTERS
*voor mijn dochter Cat van Daalen
Het spoor van de taal vind ik terug in de tijd.
Mijn moeder. Mijn Omoe. Opoe Kragt. En dan
mijn dochter. Luister: wie zingt, en breien kan
en koken, weeft taal. Smakelijke waarheid

wordt gewoon op alledag lopend, bereid
gevonden tot dansen, vol als knopen van
wol in warme sokken, is het boodschappen-
briefje een lied voor de eenzame man. ‘Meid…’

‘…wat een heerlijk recept. Heeft Oma dat nog
aan jou gegeven? Heeft ze opgeschreven
hoe ze dat deed in de oorlog, vertel je

alles van vroeger, waren jullie arm? Me
vernoemen is leuk, maar bloedlijn is leven.’
Dat liefhebben geven we door in het zog.

*PROJECT LAURENS JZ. COSTER
EEN REBÉTIKO VOOR FRANS VAN HASSELT
vanmorgen stond ik in de lege keuken
en ruimde alles op voor ik vertrok

er was nog een halve fles olijfolie en 1 citroen
dat is teveel citroen

yorgos de kat sprong op het kozijn
en keek me aan met amberkleurige ogen
een geurende vissenkop is de liefste
de kleuren van de hemel zijn de kleuren van de zee
en de regen verdampt voor ze de straat raakt

ik dronk niet het retsina-flesje leeg
ik waste niet het mes uit Kreta af

de bouzoukispeler zong: waar gaat de liefde naartoe als die verdwijnt
en ik neuriede het melodietje mee

misschien is Kim vannacht gaan dansen met die jongen uit de bar
misschien bij volle maan al geeft geen Griek daarom

er was nog een halve fles virgin olijfolie en 1 citroen
dat is teveel citroen

waar gaat de liefde naartoe als ze verdwijnt
het hek sluit wel de poort maar niet de blik

*Dit gedicht kwam tot stand in het Nederlands Instituut in Athene. Voor haar verblijf in Griekenland ontving de auteur een beurs van het Fonds voor de Letteren.
*Rebétiko: Grieks volksliedje
*Frans van Hasselt (1927-2011) was een Nederlandse journalist. Kenner van de rebétiko.
Laurens Jz. Coster is een vrijwilligersproject http://cf.hum.uva.nl/dsphome/ljc/
Redactie: Raymond Noë Reacties, suggesties eon@planet.nl
Aan- en afmelden http://www.engage.nu/mailman/listinfo/coster-l

LIED VOOR KONSTANDINOS KOUKIDIS
27 april 1941

Toen zijn land niet groter meer was dan de vlag
-blauw als de hemel die in de zee weerspiegelt,
wit als de lemen huizen op de geblakerde rotsen aan zee-
-een vlag met het kruis van een lijkenzak,
zo breed als zijn armen wijd-
streek hij die,
wikkelde zich erin
en stapte op het bolwerk.

Het is tweehonderd meter diepte
en vijfduizend jaren vergezicht.

Dagelijks vliegen twee roofvogels van Thermopylae naar Salamis,
hun route gemarkeerd door zangvogeltjes die opvliegen,
de een na de ander, schel kwetterend, een golvend lint in het landschap.
Geen mens die het merkt.
De ogen van de doden glinsteren,
Xerxes en Leonidas zijn nu drie dagen aan het vechten.
Twee roofvogels loeren naar bloed,
hoger op de thermiek, ruiken tegenstand,
zien onder zich paragliders, hanggliders, sailplanes, zweefvliegers
en een Nikè op de Akropolis. Zij zit, zij bevestigt de vleugels aan haar schoeisel.
Zij vliegt nog niet.

Toen hij naar de oorlog ging, zei zijn vader: Kom niet terug.
Draaide zich om, wees als terloops naar het mes op tafel.
Zijn grootvader sneed er lamsnier mee.
Zijn moeder wilde niet huilen en wilde hem niet loslaten,
zijn twee zussen keken naar de grond. Of naar buiten.
Hij herinnert zich de ogen van het meisje van Samos,
blauw met een zweem van goud
en warm als de geur van vers gesneden olijvenhout.

De ogen van de doden glinsteren.
Ik zal wat olie op hun voorhoofd druppelen,
de weg gemarkeerd, de pas gemarkeerd, het land
gemarkeerd – al was het maar zo groot als een lijkenzak,
je kunt altijd een druif planten of een olijf.

Hij valt en blijft vallen,
in elk lied dat ik schrijf, valt hij, de vlag om zijn lichaam geklemd
als het laatste woord in een taal die uitsterft.
Zolang hij niet neerkomt, in Lineair A of B,
is het verstaanbaar wat hij doet. Hij leeft.
Ik houd hem dalend in de blauwe taal
van zee en lucht.

Er zijn geen engelen. Op de Akropolis
zijn vlinders met blauwpoederige ogen
en uitsteeksels aan de vleugelpunten
die zelfs de wind niet breken.
Iphiclides podalirius, Segelfalter, vouwt zijn vleugels als zeilen
hoog aan de wind.

Hij zegt dat hij Adonis heet.
Hij is een blogger en hij houdt van jazz.
Woede is zijn mes waarmee hij de wereld uitsnijdt.
Ik zie Athene ’s nachts door zijn ogen,
ik loop door doodstille straten waarin alle ijzeren luiken neergelaten zijn,
de gemeente heeft overal dezelfde oude lantarens opgehangen
om een gevoel van eenheid te scheppen dat geen toerist herkennen zal.
Ik hoor dat een vader zijn zoon niet herkent.
Ik hoor dat een levende vader het gevecht om de liefde verloren heeft.
Ik hoor dat ik over een rots loop
die bedekt is met gepolijst marmer.
De weg omhoog is steeds ook de weg omlaag
of was het omgekeerd? Herakleitos lacht smadelijk,
keert mij zijn rug toe, gaat met de andere oude mannen televisie kijken. Voetbal
in het Grieks.
Er valt een man van een balustrade
of was het een bolwerk. Ooit was ik in Venetië
zonder liefde of geliefde,
maar met een man die mij had uitgekozen en volgde op mijn voetstappen.
De blik in zijn ogen zei dood.
Ik had dood lang niet gezien.
Vanavond is hij niet gekomen.
Langs een gevel hangt een blauwe vlag met een blauw kruis erin.
Je kunt er precies één man in wikkelen.

Ik moet ervoor zorgen dat hij niet neerkomt.
Zolang ik doorschrijf, houd ik hem dalende, zwevende,
een paraglider met het licht van de volle maan tegen de ochtendhemel
als de ogen van een meisje van Samos
dat niet weet dat zij herinnerd is.

Kijk, er valt een man van de Akropolis!
Nee, joh, dat kan toch niet, het is zo’n deltavlieger of hoe heet dat.
Nee, echt! Hij valt!
Zal ik een foto nemen?
Hij valt! Hij valt echt!
Je moet de politie bellen.
Hoezo, komt die hem opvangen dan?

Het nummer van de politie in Athene is 100.
Je hoeft geen landnummer te bellen of 210 voor de stad.
De politie spreekt geen Frans of Engels.
Ze worden ongeduldig als je Frans of Engels spreekt.

Ach joh, het is een stunt. Of een reclame voor een wasmiddel. Blauw kruis voor al uw bloedvlekken!

Ik geef mijn 06 aan een man die belangstellend komt kijken wat ik doe. Hij legt aan de politie uit dat ik geen geld uit de muur krijg. Het is vast een bende, zegt hij. Het was op het journaal.

Eén honderdman springt van de Akropolis
terwijl ik honderdtwintig stemmen een lied van Mikis Theodorakis hoor zingen
in het Odeon van Herodes Attikus.
Een hecatombe van honderd witte telefoons
die allemaal het nummer 100 bellen
en een rebétiko in de hoorn zingen:
‘Het is nacht geworden zonder maan’.

Ik moet meer stemmen tegelijk hebben
zoals toen ik tegen Arjen zei: waarom schrijf je niet eens een opera
en Kees zei ‘maar dat doet hij al’.

Niemand neemt mij mijn verdriet af
of mijn talent om het vorm te geven.
Niemand springt van de Akropolis
om het land te redden
of de taal
of zelfs maar de naam van de vlag.

*Gepubliceerd in Poëzietijdschrift Awater, najaar 2008, jrg 7, nr 3, pp. 24-25
*Dit gedicht kwam tot stand in het Nederlands Instituut in Athene. Voor haar verblijf in Griekenland ontving de auteur een beurs van het Fonds voor de Letteren.
*Voor Konstandinos Koukidis, zie:
http://www.athensinfoguide.com/wtschurches/agiosgeorgiostouvrachou.htm
http://www.nationmaster.com/encyclopedia/Konstandinos-Koukidis
http://www.nationmaster.com/encyclopedia/Axis-occupation-of-Greece-during-World-War-II
http://www.greeceindex.com/About_Greece/Greek_National_Symbols_Evzone.html
http://www.greeceindex.com/About_Greece/Greek_National_Symbols_Flag.html
http://www.presidency.gr/en/proedr_froura.htm
*Met dank aan Frans van Hasselt (1927-2011) inzake de rebétiko

One thought on “2008”

Comments are closed.