ANNUNCIATIE (1987)

Van de engel rest een veer nog
tussen de donskussens, vochtig
van dauw uit de paradijzen.

Maria strijkt over een bladzij,
haar vinger tempert het ritselen
van perkament, abortief.

Geloof is een onontkoombaar weten
waaraan de werkelijkheid ontijdig
in zout en zweet moet zijn ontwrongen.

Maar dat is past veel later.
Nu ademt nog een lelie zwaar na
onder het goud van een veeg zon.

*Een gewijzigde versie van dit gedicht in “De wet van behoud van energie”, Querido 2007, p. 57

U KUNT HIER NIET PROFIELVRIJ LOPEN

Het is opmerkelijk hoe consistent ik ben in mijn dichterschap, mijn visie, mijn poëtica. Dit stukje is van mei 1992:

U KUNT HIER NIET PROFIELVRIJ LOPEN
of: Raster en registers

Raster? Gefeliciteerd. Raster is ouder dan ik, altijd al, en ik ben van 1950. Want elk themanummer verwijst mij naar het continuüm van de literatuur.

De eerste Raster die ik kocht was het W.F. Hermans-nummer, zomer 1971 – waarschijnlijk omdat iemand mij had aangeraden ‘Nooit meer slapen’ aan te schaffen teneinde mij af te raden geologie te gaan studeren. Daarna zag ik daar inderdaad vanaf – niet vanwege de beschreven gebeurtenissen, maar omdat schrijverschap mij nog veel gevaarlijker en langduriger leek. De volgende Raster die mij in handen kwam was het eerste nummer van de jaargang 1984, de jaargang met thema’s zoals ‘het groteske’, ‘utopie tegen utopie’ en ‘poëzie en kritiek’.

Lezend, toen en later, werd mij met terugwerkende kracht duidelijk dat ik intussen door tijd en literatuur was gereisd, onderweg naar de maker die ik ben en dat ik in dertien leerzame jaren was blijven zoeken in de herinnering van een cultuur: in bibliotheken die kluis na kluis hun oudste manuscripten voor mij openden; in scriptoria uit de 14e eeuw die de werkplaatsen van het schrijven zijn, met inkt uit galnoten, pennen versneden uit ganzeveren, met bladgoud en loodwit, met versieringen van penwerk en bladen van het zachtste perkament, het ‘abortief’, van de huid van een ongeboren kalfje.

Van de engel rest een veer nog
tussen de donskussens, vochtig
van dauw uit de paradijzen.

Maria strijkt over een bladzij,
haar vinger tempert het ritselen
van perkament, abortief. [1]

Ik had mijn tijd doorgebracht in een tijd waarin de tijd niet leek te bewegen en waarin de werktuigen eeuwenlang dezelfde bleven; ik had mij gespecialiseerd in wat wel de meest dichtgetimmerde teksten uit de hele wereldliteratuur moesten zijn: de hoofse liefdeslyriek, met haar vaste jargon, haar ‘register’, met haar nauw omschreven thematiek en motieven, met haar beperkingen van strofenschema, rijmschema en ritme dat bepaald werd door de melodie…

En niettemin heeft elk handschrift zijn gebruikerskenmerken, soms onachterhaalbaar in hun geschiedenis, die mij in het materiaal terugwijzen naar de hand van een mens; zoals er van elk handschrift altijd maar één exemplaar is: precies dat wat je voorzichtig uit de kluis tilt, voor je op tafel legt en opent, met die eigen, specifieke geur van droogte en ouderdom. “Ik was hier”; u bent hier niet de eerste, lezer.

En elk volgend “nieu lied” is een nieuwe beweging van pijn, zo geschreven dat de lezer of toehoorder even zijn/haar gezicht vertrekt omdat hij/zij die zelf ervaart; een beweging die vanaf het eerste woord tweestemmig is: er spreekt de dichter/”ic”-verteller die zich bewust is van zijn mogelijkheden en zijn meesterschap, die in zijn werkelijkheid een goed lied maakt en tegelijk spreekt de minnaar, die maar al te goed weet dat de werkelijkheid niet toereikend is en dat hij daarin met woorden niets volbrengt; hij kan alleen reiken, reiken: naar zijn geliefde die er niet is, naar de nacht die nog duren moet, naar de verleden tijd waarin zij hem een enkele aanraking toestond of naar de eeuwige voltrekking van dit gelukkige ogenblik van samenzijn. “Mijn hertze heift groot verlangen in…” “…Eer ic mi van di liete ontleden, / Ter doot liet ic mi eer ontliven.” (Scheiden is erger dan de dood.)

Terwijl zijn gedicht zich ontrolt van regel naar regel weet de dichter dat hij zelf die minnaar is die de tijd probeert stil te zetten met zijn uiterste inzet, met de inzet van zijn hele lichaam – hij zingt het lied temidden van het gezelschap, als een bewijs van zijn volledige deelname – en hij weet dat hij in dit verlangen volledig moet mislukken.

Bij de toehoorder springt de goddelijke vonk over bij de ervaring van de haast onverdragelijke discrepantie tussen de schoonheid van het maken en het gemaakte en de onvervulbaarheid van het verlangen, dat al tot zo’n grote hoogte is opgeschroefd dat het nooit vervulbaar is. De beperkingen (naar woordkeuze enz., zie boven) die de dichter zichzelf oplegt in deze lyriek, dienen er alleen maar toe om de essentiële onvervulbaarheid zo scherp mogelijk te stellen, om een ervaring van “ghenouchlic pijn” te maken die ook niets anders meer behelst dan verlangen en pijn – omdat de woorden en de beelden bekend zijn, terwijl de wijze waarop ze zijn samengebracht nieuw is.

In deze poëzie is verlangen zelf beweging, transcendentie. “Fête de l’immanence de la transcendance, la fin amor est cependant et essentiellement un art du Sens.”[2]. In de woorden van de 14de-eeuwse dichter-componist Guillaume de Machaut: “Car qui de sentement ne fait / Son ouevre et son chant contrefait.” En volgens een Vlaamse tijdgenoot: “Want aerbeit ende const te zamen / Beroert zinnen ende lechamen.”

Wat een “goet nieu liet” moet veroorzaken is ‘beroering’, dat is ‘beweging’, ‘aanraking’; ook ’emotie’ en ‘motivatie’, niet in een reiken naar het goede/schone voorbij het lichaam in een eeuwigheid, maar om het lichaam en zijn grenzen tot het uiterste te beleven in het nu dat ik ben.

Ik heb mij altijd afgevraagd, Diotima, of wie op zijn doodsbed nog een haan aan Asklepios wil wijden zich daarmee niet gewoon uitspreekt voor het leven? S. vraagt om het dier dat de morgen aankondigt te offeren aan de god die de genezer is; een god dus van levenden, niet van doden. Ook zij die zeggen na de dood voort te leven hebben geen geneesheer nodig. De haan is een offer voor wie morgen weer gewoon in het nu ontwaken.

Eeuwigheid is immers maar een woord, daar kan ik niet in wonen. Ik moet de beweging van de transcendentie beleven in het lichaam dat ik ben, in het denken dat ik liefhebbend voortzet. In die beleving is mijn onmacht opgenomen; ik kan immers mijzelf pas verlaten als ik de gifbeker gedronken heb en dan is die beleving niet meer mogelijk. De transcendentie is niet leeg, want ik vul die; maar er is geen ander doel dan de beweging ervan. Ik ben die ik ben: op die wijze en om die reden.

Het werk of “ouevre” (oorspr. spelling) van de dichter/maker en de kunst van het verlangen of “chant” van de minnaar brengen deze beweging alleen samen teweeg. Het publiek houdt de aandacht gericht op de vraag: welke woorden kiest de schrijver uit het bekende idioom, welke paradoxen zet hij ons voor en hoe bouwt hij zijn contrasten op – kortom, hoe laat hij ons onze condition humaine ervaren? Een lied lang duurt het onmogelijke: “Wie minlic es in liefs bedwanc/ Gheen tijt mach hem dincken lanc…”

De overeenkomst tussen hoofse liedkunst en mijn eigen werk zag ik pas toen ik door een Raster de 20ste eeuw weer binnenging. Sindsdien… maar gaat het nu ineens over geloof? Soms geloof ik dat de [geschreven] taal het kwaad is omdat die de beweging vastlegt en ik balanceer met volle inzet tussen “Hope” en “Twifel”, als een hoofse dichter, in mijn ambigüe positie als dichteres en als minnares: maker die de liefde tot de steeds ontsnappende werkelijkheid wil vormgeven. “[De moderne dichter] probeert zich voortdurend te ontdoen van alle voorbeelden, nog van het voorbeeld dat hij voor zichzelf geworden is, door steeds nieuwe relaties tot de realiteit te ‘produceren’ om zodoende iets te redden van de continuïteit…”[3] die ik ben, van mijn eenzaamheid, van mijn eenheid van taal en ervaring; van de beweging die een mens is; van de continuïteit van de literatuur.

Het bordje langs het baanvak zag er erg tijdelijk uit. “U kunt hier niet profielvrij lopen” las ik in het voorbijgaan. Ik keek peinzend naar mijn pumps – een mooi, tragisch woord voor hooggehakte, dichte damesschoenen; een woord met dezelfde degelijke kwaliteit als brogues. Maar profielvrij, vrees ik.

Naast mij was al enige tijd een monoloog gaande van een reiziger tegen een zwijgende jonge vrouw en langzaam drong het tot mij door dat het baanvakbordje niet handelde over schoeisel. “Het profiel is dat van de trein”, zei de reiziger met stemverheffing.

“profiel” [Van Dale, p.1939] – “(spoorw.) profiel van de vrije ruimte, doorsnede (loodrecht op de rails) van de ruimte boven de spoorbaan, waarbinnen zich geen vaste of losse onderdelen van constructies mogen bevinden.”

N.B. Dit citaat maakt deel uit van de betekenis van ‘profiel’ als ‘beloop, resp. tekening van een verticale doorsnede’.

Niet profielvrij: wanneer u zich hier bevindt kunt u worden meegesleurd. Begrijpt u dat, reiziger? Ook met uw stevigste schoeisel bent u hier niet veilig. U kunt even meehollen; dan moet u zich vastklampen; u wordt bonkend van seinpaal naar seinpaal vervoerd. En aan het eind gaat uw hoofd eraf, tenzij u alsnog kans ziet om de deuren tijdens de rit te openen. Maar ook dan wacht u ergens de dood. Want hier doet iedereen mee; er zijn geen andere verliezers. Kom, we vertrekken.


Uit: De Middenpagina nr. 7, mei 1992 (over het tijdschrift RASTER), pp. 102-104 (‘De Middenpagina’ was een maandelijkse uitgave van De Balie, Amsterdam, van 1991 – onbekend)

[1] Later opgenomen in "De wet van behoud van energie", Querido 2007, p.57
[2] Julia Kristeva, "Histoires d'amour", p.263
[3] Cyrille Offermans, "De kracht van het ongrijpbare", p.262

VOOR DE BEGRAFENISMIS VAN LILIAN

*voor Yann

Hoe de rivier een lint legt langs je slapen,
bruisend maar grijs je haar omkranst, het zachte
weten: dat God zei ‘kom, liefste, we wachten
thuis op je’, je keek om, naar ons, je adem

aarzelde, kwam terug, beschreef onze namen,
je hart sloot ons in en je liet gedachten
los. Aartsengelen, serafijnen, machten
tilden je door het portal van de slaap en

omringen je. De Troon is zelf een woning
dichtbij verdriet. Wij weten dat niet. Aarde,
aarde, waar is Lilian? Hoe zon en maan

liefde en herinneringen bewaarden,
hoe het water je naam schrijft in de stroming:
Gods licht is een rivier, zien wij in tranen.


Uit: ‘IK WEET NIET WELKE WEG JE NEEMT’, bloemlezing, ed. Arie Boomsma, Prometheus 2015, p. 49

HUWELIJK EN WAT DAARNA KWAM

toen je lay lady lay zei, ik niet langer
daar lag of mocht liggen, allang een ander
daar lag, toen het kind huilde en vroeg om
liefde, en aandacht, toen het koud was, hoe

de deur dicht sloeg, door de wind, moe, zo moe
was de onmacht, ik hield het tegen, stom
geworden van ontroostbaarheid, verander
niets, houd vast, nooit meer werd deze buik zwanger

opengesneden en het bloedt. eindelijk
kent deze hand wat er mist, neemt het hart
zichzelf mee, op reis, er is geluk, leest

aren, en letters, en muziek. geneest
niets meer dat niet al levend was, is, start
opnieuw, met hetzelfde, de tekst een lyric


Uit: ‘ALS EEN ZWERFKEI / Dichters over Dylan’, ed. Kees ‘t Hart & John Schoorl, Nijgh & Van Ditmar 2015, p. 40

HRFST

Ik kijk naar de verloedering en besef
dat dit kijken een gigantisch genot op-
levert: heerlijk, de verrotting! Wat een lot
uit de seizoensloterij, tot op het bot

gebleekt gedachtengoed, vellen en veel rot
in de troostbare hagen. Een laatste mot
die het huis uit vliegt, op weg naar dood, en hop!
door de kat gevangen, terecht komt. Het lef

opent, nee, effent de weg voor, werkelijk,
wat een lawaai: van vallend blad; een begin
van psychose; een zekerheid van gelul

in de zijlijn, eeuwig verroest commentaar
verzakt in de bodem; geen hout snijdt; het ik
valt balkend uiteen zonder hoop op begin.

IEMAND VERWOEST NINEVEH

‘Uitvoerders van de Eindstrijd’ zegt een feesboeker.
‘Is er wel een arbiter voor die apocalyps’, denk ik praktisch.
‘Wie fluit er? Wie zijn de grensrechters?’
Het blijft stil in de zaal.
Dat er geen dokter aanwezig is, begrijp ik wel.
Die zitten thuis en typen moeizaam hun diagnoses uit op een toetsenbord dat gemaakt is voor computerdeskundigen. In een taal voor computers.
Niet voor mensen die zich met het lichaam bezighouden.
Niet voor de taal van het lichaam.
Wat ik hier doe, is ook tamelijk verward op die manier.
Wat heeft een a met pijn van doen
anders dan in het beroemde gedicht van Zbigniew Herbert?
Marsyas howls…
Apollo is cleaning his instrument

De uitvinders van de Eindstrijd hameren er op los.
Timmeren alles in elkaar alsof het niets is.
De atomen zweven jolig weg om ergens anders deel van uit te gaan maken.
Leonardo Da Vinci’s atomen vullen een kerkraam.
Walvisatomen vullen een geknakte kalashnikov.
De poep van al die IS-strijders vult nog geen halve kamelenpoep.
Het blijft sukkelen.
Je kunt alles vernietigen en dan bedenkt er toch weer iemand een Higgsdeeltje
dat buiten de aarde om zweeft en god zegt
of wordt
of verliest.
Ik kijk naar buiten en zie de eindstrijd van miljoenen roze kersenbloesems.
Kersen komen er niet.
Aan het eind waait het zich los en dwarrelt –
niet als bijen
niet “mit verneinender Gebärde” –
warrelt zacht als strooisel
als een sneeuw
zacht
als sneeuw


*Zie voor “Apollo and Marsyas” van Zbigniew Herbert bijv. http://www.nybooks.com/articles/archives/2007/apr/26/the-philosophy-of-3-am/
**Zie voor Rilke’s “Herbst” bijv. http://www.unsplendid.com/2-3/2-3_rilke_autumn_frames.htm
***En zie Nijhoff voor Nijhoff, # bijen
****En zie Leopold voor Leopold, # een sneeuw

HOE KOM IK

een overdenking voor begin 2015

Hoe kom ik veilig aan in begin oktober
als de zilvervloot van de AOW statig uitzeilt
en mij bedruipt met de zorgvolle goudenregen van de overheid
overhead met tal en last?

Hoe kom ik zonder kleerscheuren die maanden door
dag voor dag dichter bij het houtvlot van de oude dag
dat als de Medusa volgepropt met uitgestelde wensen
tegen de wind in rondtolt?

Ik moet ernstig bezuinigen op woorden
hele zinnen kunnen er niet meer vanaf, u moet begrijpen
dat wij in dit levenseinde langzaam taalarmoede oplopen

en tandwolf, vreet aan klinkers, beslist zich
een rotweg dwars door het alfabet
Zodoende is !@#$%^&*? al een hele mondvol