Phacelia #Almere Buiten

P1020659

 

 

 

                              Ergens in de late jaren negentig, toen ik nog in Groningen woonde, in de Bandoengstraat, in een appartementencomplex dat na mijn verhuizing direct is afgebroken, liet de gemeente net zo’n piepklein landje inzaaien, pal voor m’n deur. Dat ging met de hand. Een oude boer, op klompen, in een versleten broek met stukken op de knieën, liep heen en weer in een klassieke boustrofedon http://nl.wikipedia.org/wiki/Boustrofedon en zaaide de grond in. Zijn linkerarm omklemde een zinken bak met zaad – heel kleine zaadjes – en zijn rechterhand deed telkens een graai en strooide het dan wijds uit, maar met regelmaat en vooral, met een bewonderenswaardige regelmatigheid. Ik ben naast hem gaan lopen: heen, terug, heen en weer terug en ondervroeg hem over het werk. Hij in zijn kortaffe bloemrijke Grunnigs legde mij uit dat hij dit z’n hele leven had gedaan, maar dat je dit op het land niet meer zo deed; alleen de gemeente vroeg hem nog weleens, voor kleine perkjes. ‘Ik dacht dat je altijd van je af moest strooien’, zei ik verrast, ‘maar u strooit naar u toe!’. Hij stond stil, gaf mij zonder veel omwegen de bak met zaad in de arm en liet het mij net zo lang proberen tot ik het ook kon. Het was als een muziekje: lopen, regelmatig stappend doorlopen, het veld over; dan rechterhand in de bak; dan draaien in de pols, maar wel het zaad in de hand houden; dan naar rechts zover mogelijk uitstrekken en zachtjes loslaten door de vingers te openen en te strekken, in het ‘kwartier’ van rechtsuit naar recht voor, het zaad laten dwarrelen; en dan weer de hand in de bak. Mooi werk. We liepen getweeën in “De zaaier” van Van Gogh, eerst van de zon af, dan naar de zon toe, steeds één pas verschuivend langs de horizon. Phacelia. Dat zaaiden we toen, de oude boer en ik.P1020663

Phacelia tanacetifolia http://www.soortenbank.nl/soorten.php?soortengroep=flora_nl_v2&id=1630&menuentry=soorten. Ik vergat het nooit. Toen ik het zag in Almere, wist ik dat ik de volgende keer mijn camera zou meenemen. Kijk, daar in de verte is de bibliotheek, pal achter het stoplicht en links moet het NS station zijn.

Gruuthusehandschrift, deel III, eerste minneallegorie, proloog (40rr.)

Const, cracht, wille, zonder daet,                    Vakmanschap, kracht, wil: als men niets doet,

daerof en comt goet no quaet.                         gebeurt er niets, geen kwaad, geen goed.        

Ende hoge daet zonder wise raden,                 Iets belangrijks doen zonder goed overleg

dats een recht beghin van scaden.                    is een prima begin van pech.

Met wisen rade const beleit,                            Vakmanschap en wijze raad

dats een behouden aerbeit.                              geven samen een duurzaam resultaat.

Ende cracht met wizer const tezamen,            Breng kracht en vakmanschap bijeen

dat brinct tweerc te zire namen.                      en een goede naam heeft het werk meteen.

Nochtan en doocht cracht no const                Toch halen kracht en vakmanschap weinig uit

sonder wille ende zonder jonst.                       zonder een positief wilsbesluit.

Wat sal dan cracht, const, wille ende moet,      En wat nou kracht, vakmanschap, wil, goeie zin,

of ment niet te werke en doet?                        als je niet gewoon een keer begint?

Ende wat salt al te werke ghedaen                   Maar waarom je opdracht goed vervullen

voor degone die niet verstaen?                        als mensen het niet waarderen zullen?

Dats recht besceit, als daer men zaeit,             Dan ben je blijkbaar ergens gaan zaaien

daer men nemmermeer en mait.                      waar geen mens ooit gaat maaien.

Daer men verliest pine ende coren.                 Ben je je moeite en koren kwijtgeraakt.

Aldus blijft menich const verloren.                 Vakkundig werk is zo vergeefs gemaakt.

Maer hets beter verloren pine                          Maar liever de moeite verloren die je nam,

dan const, daer pine in pleicht te zine.            dan kundig werk, dat met moeite tot stand kwam.

Want aerbeit sonder const in daden,               Iets maken en niet kunstzinnig geweest,

dan can den zinnen niet ghescaden.                 kan weinig kwaad voor zintuigen en geest.

Maer aerbeit ende const tezamen                    Maar kunstzinnigheid als vakman actief uiten,

beroert zinnen ende lechamen.                       brengt in lichaam en ziel emoties naar buiten.

Ende als ment al beroert int werken               Als je alles overhoop hebt gehaald in het kunstwerk en

door hem dies niet verstaen no merken,          dat voor wie niets begrijpen of merken,

daer wert des aerbeits loon vergouden             wordt je beloond zoals bij zwijnen

als voor zwinen ghezait corsouden.                 die parelwitte madeliefjes zien verschijnen.

Const si doch const met consten lonen,           Kunst dan in het kunstvak vakkundig met kunst

so en soude hem niemen connen becronen.     belonen? Ik klaag niet, hoor. Wat een gunst.

Maer rude up twerc no up loon ne ghissen,     Maar het klootjesvolk kan naar het werk niet eens gissen

dies moet men loon der const ghemissen.        of naar het loon – en dat moet je dus missen.

Wie werct in dustanicher hopen,                     Als je in die situatie denkt ‘het zit wel snor’,

si suller lettel mede copen.                              is het de vraag of het je iets oplevert, hoor.

Die rude en weet hoe verre, hoe bi                 Het klootjesvolk heeft werkelijk geen besef

den rechten loon der consten zi.                      wat het juiste loon is voor een kunstwerk met lef.

Dus willic minen waghen mennen                   Daarom ga ík mijn wagen mennen

an die de weghe der consten kennen.              in het zicht van hen die het kunsttraject kennen.

So sal mijn pine in den fijn                              Tenslotte in mijn overtuiging gestaald

na rechter werde vergouden zijn.                    heeft mijn werk zichzelf terugbetaald.

=

http://www.bekkingblitz.com/p/Kunst/Gruuthuse_Liefde_leven_en_devotie_cd/4630

http://www.kb.nl/bladerboek/gruuthuse/browse/page_39r.html

bij de onthulling van mijn sonnet ‘@NIAS’


@N.I.A.S.
Hoe de boomschaduwen over de grasmat
wandelen, rondom, onophoudelijk. Stil
staan als een beuk in het struikgewas. De wil
om te groeien is wet: van leven, maar wat

weten we van de vogels die tussen blad
en takken in ons nestelen? Is er pril
geluk dat nog uitgebroed moet? Het wil
hier aan de dag waar het strijklicht ons omvat.

Tussen ons allen vallen eierschalen
op de aarde. Het jaargetijde kennen
is zo onmogelijk als de kruin dragen:

voel je hoe ons hart buigt in de windvlagen?
Elke ochtend aan het hernieuwde wennen.
Doorstaan. Er is zwaar weer op til. Niet falen.

 
*9 juni 2011, N.I.A.S., Wassenaar
Het sonnet is aangebracht op de muur van het NIAS Fellows House
De foto is gemaakt door Dindy van Maanen