‘DE DEINING GEKEERD’

“…wie duwt de golven van de zee terug?
het pogen zelf doet weer een golf ontstaan…”

J.H. Leopold

1 opmaat
als het aanlandige wind is
en springtij,
hoogwater
en volle maan
dan fluistert men in de tram
‘Heb je het nieuws gehoord?’
bedoeld is: het weerbericht

Het was aanlandige wind.

2
LIEFSTE
Er was geen zoutere geur dan de jouwe.

Je omvatte me, je bewoog me, je dreef me, je
weidsheid
bracht elke golf in mij tot rust.

Zover het oog reikte zag ik oppervlak,
deinend groen, blauw, turquoise, iriserende
huid, lichtend, optillend vermogen, doorwaadbare
buiging, beweging, evenwicht vol leven, eeuwig-
heid vol zindering, trilling, oneindig
lichaam

amniotische vloeistof, vruchtwater

van de eerste eencellige tot het brein van de Tyrannosaurus Rex
van de zweepdiertjes tot de werking van lever en schildklier
van het licht in de ogen van de axolotl tot de vuurzwaaiende Neanderthaler
in de tijdelijke eeuwigheid van drie-en-een-half miljard jaar

de oceaan die de aarde omvat
vol vissen in scholen en eenlingen, de kraken, de grote octopus
walvis, vinvis, bultrug, noord- en zuidkaper
potvis en narwal, beloega, de spitssnuitdolfijn
en plankton en krill – de baleinen
oceanen, hoe zwaar is de wereld?

hoeveel evenwicht, één zee alle zee, één zeewater,
één enkel glas vol, nee, één druppel
nee, één oceaan die de aarde omvat
is schepper, voortbrenger
minnaar

er was geen zoutere geur dan de jouwe
je omvatte me, je bewoog me, je dreef me, je
weidsheid
bracht elke golf in mij tot rust
en we dansten, we dreven

en ik rolde om, met mijn hoofd in je schoot en toen zag ik je diepte en het zand op de bodem
er was dus een bodem
er was bodem
er was land

ik kon er niet zijn en niet ademen
maar er was land
en een keuze

ik rolde terug, hief mijn hoofd uit het water en zwom alsof mijn leven ervan afhing
leven, dat hing ervan af
van het strand
jouw strand
mijn strand
jouw branding
mijn land
en de zon ging onder

er was geen zoutere geur, schepper, minnaar
en ik trok me terug

het land in je omarming
werd het land dat je tegenhield
je deining die mij aanspoelde
liep op tegen het schip dat je huid doorsneed met haar kiel
het zout dat je achterliet in mijn tranen
verbleekte op de hand die je leeg viste
die plastic achterliet
ritselend

ik trok me terug
en het land groeide een dijk

ik weefde losse schermen van wilgentenen
zette die in je zuigende getijden tot er kleideeltjes in achterbleven
tot er nieuw land aanslibde waar ik nieuwe dijken omheen zette
en weer wilgenteenschermen ervoor
waarop nieuw land
aanslibde
en dijken

Ga weg, zee
moge je zout uit de aarde regenen
zoetwaterrivieren je vullen
plastic je verdoezelen

ik zette een zandwal tussen jou en mij
duinen en helmgras en basaltblokken
met duinparelmoervlinder, kommavlinder, bruine eikenpage
zeldzaam, genoeg, ooit jouw eigen schepping
maar gebied brak aan

ik maakte een weg, mijn stappen zijn veilig
mijn deining is van mij, de hand op mijn heupen
de mijne
een armlengte, een dijkbreedte, een landengte
weg van je verlangen
en je geur waait me achterna
tussen uitlaatgassen en vers asfalt

ik geef je een naam:
buitendijks, buitengaats
kolkende maalstroom
duizelende golfslag
breekwater, doodtij, dijkafslag
verwoester

ik ontnam je een zout bassin vol vis en gewemelte
en mijn land brak aan, mijn tijd
vulde een zee vol wrakhout, het zout spoelde weg met rivieren
Eem, Vecht, IJssel en Amstel
vullen een meer nu met zoet, ze bannen je achter de sluizen
‘afsluitdijk’ is voorgoed een richting
van stormvloed en leeftocht en ebbend getij
naar een broedseizoen vol toeristen

en dan komt de zeearend

ik bouwde een land op
met dijken en polders
met windenergie en waterbeheer
met maaiende molenwieken

ik keer je de rug toe, zee, liefste, zee, zo diep als ik sta
drassig eerst, vast land dat inklinkt alsof het muziek is
maar soms, als de meeuwen roepen
met mijn hoofd in de wind, mijn ogen die tranen, mijn zout
jouw zout

en onder mijn voeten liggen de schepen
ingekuild, vast in de grond
alsof ik voor altijd aan dek sta
aan bakboord: land
stuurboord: ook land

maar de zee

*Voorgedragen bij de opening van de tentoonstelling 
"De deining gekeerd",
Provinciehuis Flevoland, dd. 20 apr 2018: 
Expo ‘De deining gekeerd’ in provinciehuis
** Zie ook https://www.facebook.com/ProvincieFlevoland/videos/1650964871650132/ vanaf 10:10min

DE KOOLMEES EN DE GENERAAL

Als je hier uit de deur naar de kersenbloesem loopt en dan naar links, vind je binnen enkele minuten aan de linkerkant een voortuintje met een groot beeld. Ik fiets er regelmatig langs, altijd met een half oog op de auto die ervoor geparkeerd zal staan, want dat is steevast een oude Amerikaanse slee met van die haaienvinnen achterop. Prachtig.

De eigenaar van het pand handelt erin, denk ik, want er staan steeds andere auto’s. Ik heb hem er weleens op aangesproken toen hij net uitstapte. Hij reageerde nogal schrikachtig totdat hij begreep dat ik een stille bewonderaar ben die trouwens zelf niet rijdt. Maar goed, daar gaat het nu niet over.
Het gaat over dat beeld.

Ik dacht dat het een boeddha was. Gewoon zo een die je in de tuinwinkel kunt kopen maar dan levensgroot. Maar op zeker moment zag ik tot m’n droefenis dat iemand ’m het hoofd had afgeslagen. Wie doet nou zoiets? Ik fietste mopperend verder.

Intussen was het me opgevallen dat het helemaal geen boeddhabeeld was. Het was iemand met een kuras aan van over elkaar heen vallende lamellen, oorspronkelijk vast van een dik soort leer.
Het was een militair.

De enige militair die me te binnen schoot, was generaal Guan Yu, omdat die ook een groot beeld heeft vlak achter de ingang van restaurant T’ang Dynasty, een kleine honderd meter verder in diezelfde noordelijke fietsrichting. Al staat generaal Guan Yu eigenlijk altijd en dit beeld was neergezegen op één knie, de linker.
Maar nu dus zonder hoofd.

Ik bleef erop letten als ik er langs fietste. En dacht elke keer, heen of terug van het station: jakkes.
Tot vandaag.

Vanuit m’n ooghoek zag ik iets langs flitsen en dat verdween in het hoofd. Oh nee, in de opengeslagen opening van de kapotte hals, zo te zien met wat scherpe uitsteeksels rondom.
Huh?

Ik stopte. Ik keek om me heen: even niemand te zien. Terwijl al dagen allerlei volk met foto- en filmcamera’s en smartphones het fietspad onveilig maakt vanwege de prachtige kersenbloesems.
Ik schuifelde met fiets en al voorzichtig wat achteruit om goed zicht te hebben op de onthoofde hals.

Daar kwam een koolmees uit.

Koolmezen zijn een gedecideerd soort vogels. Ze weten wat ze willen. En ze weten ook hoe ze dat héél duidelijk moeten communiceren. Ik ben al eens uitgescholden door een koolmees omdat ik het gedurfd had om de meidoorn te snoeien: ‘…en er zaten zulke lekkere miertjes op die takken!’. En kortgeleden nog maakte een koolmees zich hevig druk om het feit dat ik de pindaslingers had verwijderd. Gelukkig was ik zelf even niet in de tuin. (Ik durfde me er die dag ook niet meer te vertonen.)

Maar deze koolmees kwam uít de hals. En toen ik bleef staan, vloog hij (zij?) daarna weer ín de hals. Zo te zien met een bekje vol lekkere insectjes.

Even nog dacht ik: zal ik de bewoner inlichten. Maar nee. Stel je voor dat er iemand gaat staan kijken. Dichtbij. Of nog meer iemanden. Einde verhaal wat de kleine koolmeesjes betreft.

Ik heb zelfs geen foto gemaakt. Van die tien meter afstand zie je er bijna niks van met een smartphone.
Ik ben netjes op de fiets gestapt en naar huis gefietst. En daar zit ik dit nu te tikken.

“…zoetigheid ging uit van den sterke…” denk ik met grote bijbelvastheid.
Is Richteren 14:14, Statenvertaling, lieve lezertjes.