‘DE DEINING GEKEERD’

“…wie duwt de golven van de zee terug?
het pogen zelf doet weer een golf ontstaan…”

J.H. Leopold

1 opmaat
als het aanlandige wind is
en springtij,
hoogwater
en volle maan
dan fluistert men in de tram
‘Heb je het nieuws gehoord?’
bedoeld is: het weerbericht

Het was aanlandige wind.

2
LIEFSTE
Er was geen zoutere geur dan de jouwe.

Je omvatte me, je bewoog me, je dreef me, je
weidsheid
bracht elke golf in mij tot rust.

Zover het oog reikte zag ik oppervlak,
deinend groen, blauw, turquoise, iriserende
huid, lichtend, optillend vermogen, doorwaadbare
buiging, beweging, evenwicht vol leven, eeuwig-
heid vol zindering, trilling, oneindig
lichaam

amniotische vloeistof, vruchtwater

van de eerste eencellige tot het brein van de Tyrannosaurus Rex
van de zweepdiertjes tot de werking van lever en schildklier
van het licht in de ogen van de axolotl tot de vuurzwaaiende Neanderthaler
in de tijdelijke eeuwigheid van drie-en-een-half miljard jaar

de oceaan die de aarde omvat
vol vissen in scholen en eenlingen, de kraken, de grote octopus
walvis, vinvis, bultrug, noord- en zuidkaper
potvis en narwal, beloega, de spitssnuitdolfijn
en plankton en krill – de baleinen
oceanen, hoe zwaar is de wereld?

hoeveel evenwicht, één zee alle zee, één zeewater,
één enkel glas vol, nee, één druppel
nee, één oceaan die de aarde omvat
is schepper, voortbrenger
minnaar

er was geen zoutere geur dan de jouwe
je omvatte me, je bewoog me, je dreef me, je
weidsheid
bracht elke golf in mij tot rust
en we dansten, we dreven

en ik rolde om, met mijn hoofd in je schoot en toen zag ik je diepte en het zand op de bodem
er was dus een bodem
er was bodem
er was land

ik kon er niet zijn en niet ademen
maar er was land
en een keuze

ik rolde terug, hief mijn hoofd uit het water en zwom alsof mijn leven ervan afhing
leven, dat hing ervan af
van het strand
jouw strand
mijn strand
jouw branding
mijn land
en de zon ging onder

er was geen zoutere geur, schepper, minnaar
en ik trok me terug

het land in je omarming
werd het land dat je tegenhield
je deining die mij aanspoelde
liep op tegen het schip dat je huid doorsneed met haar kiel
het zout dat je achterliet in mijn tranen
verbleekte op de hand die je leeg viste
die plastic achterliet
ritselend

ik trok me terug
en het land groeide een dijk

ik weefde losse schermen van wilgentenen
zette die in je zuigende getijden tot er kleideeltjes in achterbleven
tot er nieuw land aanslibde waar ik nieuwe dijken omheen zette
en weer wilgenteenschermen ervoor
waarop nieuw land
aanslibde
en dijken

Ga weg, zee
moge je zout uit de aarde regenen
zoetwaterrivieren je vullen
plastic je verdoezelen

ik zette een zandwal tussen jou en mij
duinen en helmgras en basaltblokken
met duinparelmoervlinder, kommavlinder, bruine eikenpage
zeldzaam, genoeg, ooit jouw eigen schepping
maar gebied brak aan

ik maakte een weg, mijn stappen zijn veilig
mijn deining is van mij, de hand op mijn heupen
de mijne
een armlengte, een dijkbreedte, een landengte
weg van je verlangen
en je geur waait me achterna
tussen uitlaatgassen en vers asfalt

ik geef je een naam:
buitendijks, buitengaats
kolkende maalstroom
duizelende golfslag
breekwater, doodtij, dijkafslag
verwoester

ik ontnam je een zout bassin vol vis en gewemelte
en mijn land brak aan, mijn tijd
vulde een zee vol wrakhout, het zout spoelde weg met rivieren
Eem, Vecht, IJssel en Amstel
vullen een meer nu met zoet, ze bannen je achter de sluizen
‘afsluitdijk’ is voorgoed een richting
van stormvloed en leeftocht en ebbend getij
naar een broedseizoen vol toeristen

en dan komt de zeearend

ik bouwde een land op
met dijken en polders
met windenergie en waterbeheer
met maaiende molenwieken

ik keer je de rug toe, zee, liefste, zee, zo diep als ik sta
drassig eerst, vast land dat inklinkt alsof het muziek is
maar soms, als de meeuwen roepen
met mijn hoofd in de wind, mijn ogen die tranen, mijn zout
jouw zout

en onder mijn voeten liggen de schepen
ingekuild, vast in de grond
alsof ik voor altijd aan dek sta
aan bakboord: land
stuurboord: ook land

maar de zee

*Voorgedragen bij de opening van de tentoonstelling 
"De deining gekeerd",
Provinciehuis Flevoland, dd. 20 apr 2018: 
Expo ‘De deining gekeerd’ in provinciehuis
** Zie ook https://www.facebook.com/ProvincieFlevoland/videos/1650964871650132/ vanaf 10:10min

sonnet ‘Almere’ in een verkiezingsmagazine…


ALMERE
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.

Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.

Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.

Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.

---
*Uit mijn dichtbundel “De wet van behoud van energie” (p. 42, Querido, Amsterdam 2007).

**Dit sonnet hangt aan de buitenmuur van een pand aan de Paarlemoervijver, Regenboogbuurt, Almere Buiten, eea. in opdracht van woningcorporatie De Alliantie.

https://www.facebook.com/photo.php?fbid=10215442737809758&set=a.3457048433087.244230.1477143349&type=3&theater

van de alpha

Er zitten helden in die beker wijn en aaseters,
# Yasezi, en doodshelmen.
Waar komt die wens tot heldendom vandaan.
We rijden paarden en breken door de sterrenregen,
we rijden dolfijnen en vinden een schat op het strand.
Maar niemand kent de waarheid.
De waarheid is een ster, verborgen in een witte schelp.
Je vindt die alleen als je een dichter bent,
een échte dichter, aangestuurd door, nou, de Muze.
Die is niet mak. We doden een haan,
we smeren het bloed aan de deurpost, oh nee, op de grond, of
aan de machetes,
we leggen de vévé’s – maar niemand houdt ons bij, zelfs niet
de eeuwigdurende rivier die ons bloed toch kent in haar opstroom, in
haar voorbijgaan.
We wachten.
Er drijft niets voorbij. Een aak ligt aan de andere oever, een containerschip rijdt over de
golven. De rivier kent de weg,
de rivier kent de weg, de rivier is onaangedaan. Die wacht niet, rekent niet
met geld, goud, of batterijen. Of krachtcentrales.
Kracht is de wind. Hijs het zeil, de zeilen!
Wij varen. Vooruit het zeegat, achter de stroom, de wind, en de laster.
Er is leven in de armoe: als er wind is, is er leven.
Wij zijn de toekomst. De toekomst is een delta.
De delta is de toekomst. Steek de dijken door, licht
de verkeerde bakens aan. Laat iedereen
zijn, of haar, lompen, meenemen, aantrekken, weg-
frezen… de dood komt eerder dan ijzer. Dan asfalt, heet uit de ovens. Dan smeltwater.
De wereld is een optie, genomen door een veelvraat, veelkenner, van elders, van Alpha
Centauri A, de ster aan het hoefijzer.
Zo varen de scheepjes voorbij. Ei. Niets
is altijd wat het lijkt.
Ayibobo.

https://de-internet-gids.nl/2018/no1/van-de-alpha

 

peristil

Zoals je deze kènèp uit z’n vel pelt
en zuigend met pit en al in je mond neemt,
(pas op wat je doorslikt!) schel, vol citrus, vreemd
welkom van geurende gaarden, vergezeld

van de lach van manbo Cécilia, telt
het ritme van de yanvalou de leemte
vol, duwt je lippen tot een zeldzaam ontbeend
en zuiver kusmoment als het vruchtvlees smelt –

als de donkere pit zijn weg terug vindt, hand
opent, land verovert, wortelt, bijna thuis,
de last op het hoofd, vooruit lopend naar de

eigen lakou, naar het zuiden, waar de dans
begint, de liederen zingen van het kruis-
punt van hemel en aarde. Aarde. Aarde.

  • Een peristil is het deel van een Haïtiaanse vodoutempel (vaak een hoofdgebouw met bijgebouwen) waar de dansen (met drums en liederen) voor de geestwezens plaatsvinden. Het is geen ‘heilig’ deel van een tempel, maar wordt overdag gebruikt als ontmoetingsplaats voor iedereen die er permanent of tijdelijk aanwezig is.
  • Kènèp is de Haïtiaanse naam voor de knippa, het kleine citrusachtige vruchtje dat in de eerste minuut van de film getoond wordt. Het heeft licht of wit vruchtvlees en vaak een groene schil die eraf wordt gepeld zoals men dat doet bij een lychee. Er zit een pit in.
  • Een manbo, ook gespeld mambo, is een priesteres in Haïtiaanse vodou.
  • De yanvalou is een vodou-dans voor een bepaalde groep geestwezens (de Rada Loa, meer in het bijzonder voor Dambala).
  • De lakou (court, hof) is een Haïtiaanse vodoutempel met hoofd- en bijgebouwen, vaak met woongedeelten en stallen en ergens buiten de stad.

Video: Mattijs van de Port. Zie ook de film Saborear Frutas Brasileiras. Met dank aan Lucas dos Santos Pereira.

 

 

https://de-gids.nl/2017/no1/peristril
(in de link staat een typefout al is de link goed: ‘peristril’)

DE TAAL VAN DE BOODSCHAPPER

 

“Op de vroege morgen toen de gedachte van weggaan de neiging van blijven overwon, zag ik hem de zoom van zijn kleed vullen met rozen, basilicum, hyacinten en geurige kruiden. Ik zei: Je weet, de bloemen blijven niet en het rozenhof komt zijn belofte niet na, en de wijzen hebben altijd gezegd: aan wat niet blijft moet je je niet hechten.” (Saadi, ‘De rozentuin’, in de vertaling van J.T.P. de Bruijn) 

Het jonge rode blad van de rozenstruik in april is alweer groen uitgespreid, fijn gekarteld, een schaduw
voor een heggenmus die druk insecten zoekt, pikt, kakelt.
Het vliegtuiggeluid hoog boven hem maakt hem niet onzeker, zoals het mij doet,
weg, weg, uitgezet? Of de weg naar huis, langs cumulostratus wolken, als een god door de aether
met vleugels aan de voeten en een thyrsusstaf.
Moet ik dan misschien de ontluikende klimop plukken, een dionysisch vers zeggen, een plengoffer van Kretenzische wijn
uitgieten in de Rozentuin, waar geen aarde is die het ontvangt,
alleen een eeuwig bevroren vijver die windveren spiegelt?

‘Wend u, wend u, gij Sulammitische…’
Ik liet de zomen uit mijn handen glippen maar draaide mij niet om
naar het blauw van het tegeltableau, en de pauwen,
naar de twee zuilen die één ingang zijn,
naar de stroming tussen beide.
Kon ik nog terug? (‘Terug, kom terug, Sulammitische…’)
Is niet de enige taak van de boodschapper: breng de boodschap?
Ik ben niet de boodschap
ongeacht welke vorst mij aan u zendt.
Ik schrijf het advies
dat na negen eeuwen aanspoelt op het adres waaraan het is ontsnapt
en eerst exotisch is, dan een gedicht, en tenslotte de adem van een arme danser
die danst voor God. Laat mij u bezien,
een engel zonder lichaam of genade,
bedenk dat niemand mij beter kent dan u
en kies. Er is geen ruimte voor afwezigheid.

Zelfs de roodborst probeert me van de bank te verjagen waar ik zit met een boek dat niet wil vlotten,
een zon die niet wil opgaan, een lied dat verdrinkt in de muntthee
die koud geworden, alleen nog meisjes/mugjes/motten lokt, geen heldere gedachten;
de schaduw van Plato blijft niet achter me op de buitenmuur overeind.

Ik zweer je, ik was zeker van de overwinning,
de laurierkrans uit de keuken lag te geuren op het aanrecht,
de dovemansoren van de dovenetel zwierden rond tussen het onkruid
van mijn wensen en verlangens: naar huis, naar huis –
maar huis was weg, weg, stof geworden, zoals wij allemaal straks – nog even wachten, het duurt niet lang, het doet geen pijn
of bijna niet, net de tandarts;
ik durf niet te kijken.
Ik keek toch.

Is de rechtsstaat voor iedereen
of is het sappelen, zie dat je krijgt waar je recht op hebt, denk je,
of waar anderen zeggen dat zij recht op hebben,
terwijl jij het verschil niet ziet.
Een paspoort heeft geen huidskleur,
huidskleur heeft geen paspoort,
een weg heeft hoogstens een stippellijn. In het midden.

Er vliegt een vink over de heg
zonder rekening te houden met de buren
of met de grens tussen landen en bezittingen.
Er is weinig zo mooi als de werkelijkheid
maar ik begrijp ook niet waarom ik er niet welkom ben,
alsof ik mijn toegangskaartje niet betaald had.
Ik heb dat niet betaald, dat deed mijn moeder.
Ze ligt in de aarde, tussen hier en ginder,
het is dichtbij, ik nam een handvol aarde mee,
kijk maar, dat cederhouten doosje op mijn schrijftafel,
als ik het zo mag noemen, een schriftje op m’n knie.

Weet je waar het lied is gebleven? Het lied van de lijster,
ook het lied van het korstmos, en van de egel; en de basso continuo van een ver onweer, het contrapunt
van de afdruk van een hoefijzer, drie dagen oud, in de sneeuw.
Er kleeft bloed aan.
Het bloeden van goudverf van een icoon, onder duizend kaarsen,
het bloeden van een rode jas in het ochtendlicht,
het bloed van een man die al drie dagen op de grond ligt.
Oud bloed. Zwart als drukinkt, als weerzin, als het oog van de angst,
er valt niets meer te zeggen.
Dacht ik.

Toen kwam de maan op,
in drie delen, een voor elk kwartier;
haal adem, er is geen diepte meer.
Maar:
de ekster greep in. ‘Roept!’

‘Roept, roept!’
Als niemand roept, kan het ook avond worden
en dag en middag, en weer avond;
maar ochtend wordt het niet.
Iemand moet roepen.
Iemand moet roepen, heel hard
en dan moet iemand roepen,
en iemand roept. Iemand, en iemand, en iemand
en iemand, roept.

De ekster spreidde zijn staart totdat alles diepblauw werd;
tot wij zagen dat de cumulostratus en de windvegen,
tot wij zagen dat de Wilde Jacht en de doodsoorzaken
en de onvindbare kogel en het lege bevel,
tot wij zagen dat er onder de taal,
dat er onder de taal een holte was.
Een kleine holte. Net genoeg voor de veldmuis om zich te verbergen,
voor het lied om een grondtoon te verzamelen,
voor één zonnebloemzaad dat wortelde, en uitliep, en werd vertrapt,
en zo dezelfde grond voedde die het had voortgebracht.

Ik keek naar de maan.
Ik keek naar de maan en ik nam mijn glas wijn en behendig,
als een derwisjdanser, met één hand opgeheven en één hand neer-
waarts, zo
liet ik het vallen, drie droppels rood en zoet, en
bevend, belegen zoals ik, eeuwig, gerijpt als God, zoals fotonen
uit de hand van de Maker: dank. Dank, mijn liefste. Ik weet nu
dat je bestaat.

Er is een weg. Ik weet niet waar die is.
Er is een weg. Ik hoor ver klokgelui,
er vaart een schip voorbij zonder dat ik het water zie,
er vliegt een reiger over zonder kaart of kompas. Of GPS.

Iemand knipte de bladeren van de maple tree uit tegen de lucht,
iemand verzamelde het licht van de sterren in een mantel,
iemand zong zachtjes over een nieuw fundament.
Zo heeft God de wereld bedoeld,
zo, dat weet ik zeker.
Niet met zekerheden maar met twijfels.
Met de schoonheid van het eeuwig ignoramus.
Met de liefde van het verloren mogen gaan.
Oh, open de deur, ik stap er in!

Want ergens is een nieuw, en altijd oud, adres.

http://ooteoote.nl/2016/06/vertaallab-79-maria-van-daalen-de-boodschapper/

 

PALMPASEN 2016 * PALM SUNDAY 2016

PALMPASEN 2016: EEN LIED  <English translation: underneath>

*Voor Ere Lievonen, organist. Ook voor mijn dochter Catharina.

In het borduurwerk resoneren de handen,
in petitpoint, de vingers van vroeger,
toen de grootste snelheid die van een vogel was
of van een geoefend skiër langs de helling.
Schrijf eens slalom in de sneeuw
of sneeuw in het zand:
is dat beweging?
Struikel niet:
een halve kruissteek op het rechtzinnige linnen
geeft de naam van de hand
gaandeweg
van linksonder naar rechtsboven –
een engel die wegwiekt
in de steken – rechts, averechts – van ajour, de bezige vingers.
Stilte. En de jaren dat zij leefde.

De rimpelingen van de vijver resoneren in de glazen kom met knikkers en regenwater:
zo beneden, zo boven,
we reconstrueren alles volgens onze eigen bloedlijn.
Daar voorbij zien we niets.
Maar het is er wel.
Sterren die hun gaswolk aanblazen,
zwarte gaten die hun gammastraling volhouden,
licht dat breekt in een oog dat breekt;
goudvissen die hun kikkerdril eten,
mitochondriën die hun moederspoor maken
en sterrenstof verbinden.

Ik wist niet meer wat ik je moest schrijven toen ik las dat je zoon was aangereden en dood was.
Het verdriet stond als een slagboom in de tuin. Alleen vandaag geopend.
Het is altijd vandaag.
Wie bent u, de tuinman?
Raak mij niet aan.
Een aanraking telt niet, in tekst. Niet in lied of muziek.
Aanraken telt niet in mondelinge overlevering.
Noli me tangere. Vertel mij door: dit is de wereld.
Er is maar één weg.
Wie was geboren, stierf eerst.
De schoonheid van het fossiel is eindig.
Ook de dood is eindig.
Wat betekent een plant, een steen, een vlinder,
een electron in het oog van een Rembrandt?
Waarom zou de evolutie zich lineair voltrekken? Ook tijd is onderhevig aan voorbijgaan.
‘Twee maal twee is slechts schijnbaar vier; men moet rekening houden met de slijtage die optreedt bij het multipliceren.’ [1]
Alleen wie het doorgeeft, spreekt.

– – – – – – – – –

[1] Marten Toonder (in : Heer Bommel en de kwade inblazingen, 1967/1968).

– – – – – – – – –
PALM SUNDAY 2016: A SONG

*For Ere Lievonen, organist. Also for my daughter Catharina.

In the embroidery resound the hands,
in petitpoint, the fingers from old times,
when the greatest velocity was that of a bird,
or of a well trained skier along the hillside.
Do write slalom in the snow,
or snow in the sand:
is that movement?
Don’t stumble:
half a cross stitch on the righteous linen
shows the name of the hand
always onwards
from left down to right up –
an angel flies on wings
in the stitches – knit, purl – of openwork, the active fingers.
Silence. And the years that she lived.

The ripples in the pond resound in the glass bowl with marbles and rainwater:
so beneath, so above,
we reconstruct everything according to our own bloodline
beyond which we can’t see.
But it is there.
Stars that blow on their gas clouds,
black holes that keep working on their gamma rays,
light that breaks in an eye that breaks;
goldfish that eat their frogspawn,
mitochondria that make the mother lineage
and connect star dust.

I didn’t know what to write to you when I read that your son had been hit by a car and was dead.
The grief stood like a barrier in the garden. Only open today.
It is always today.
Who are you, the gardener?
Do not touch me.
A touch doesn’t count, in text. Not in song, nor in music.
Touching doesn’t count in oral transmission.
Noli me tangere. Keep speaking me: this is the world.
There is only one way.
Who was born, did die first.
The beauty of the fossil is temporarily.
Also death is temporarily.
What’s the meaning of a plant, a stone, a butterfly,
an electron in the eye of a Rembrandt?
Why would evolution be lineary? Time also partakes of passing.
“Two times two only seemingly makes four; the wear and tear that occurs with multiplication should be taken into account.” [1]
Only the one who passes it on, is speaking.

– – – – – – – – –

[1] Marten Toonder (in : Heer Bommel en de kwade inblazingen, 1967/1968).

HEEFT DE TOEKOMST ONS LIEF

Heggenmussen broeden in triootjes. Twee mannetjes, één vrouw-tje. Twee vrouwtjes, één mannetje. Ze maken er een geweldige herrie bij, maar het ziet er meer uit alsof dat hun leven is, als de commedia del’arte van een camping vol met, ja, mensen die graag op een camping staan en hun liefdesleven niet binnen het tentdoek houden, dan alsof het verendek wordt volgescholden, in Mussen Country.

Het bonte zandoogje is een zanderige vlinder die in bossen huist, dus net als de mussen in mijn dramatisch hoge coniferenhaag. Zandoogje vliegt om en om met een ander zandoogje omhoog in het daglicht. Zo lief, hè, van die dartelende vlindertjes. Ro-man-tisch. Het zijn altijd twee mannetjes, en dus twee rivalen, die in spiraaldans proberen elkaars vleugels te beschadigen, en elkaar de tuin uit te meppen.

De vijf in de vijver geboren en getogen goudvissen zijn: één goud en vier zwart. Ze worden zwart geboren. Als de kat de oranje karperachtige uit het water gevist heeft, wordt een van de vier anderen zienderogen goudkleurig. De rest blijft zwart. Law of Goldfish. Alpha male goud, de anderen hoogstens met een gouden vlekje achter de kieuw. Alpha male dood: een verschuiving in het peloton. De pikorde: goud gaat voorop en jaagt elke andere de vijver rond en rond.

Een tuin van 50 vierkante meter in Almere Buiten is een leerzaam studiegebied voor de liefde. Ik heb onbedoeld een keer in de weg gestaan van een merel die als een dolle een vrouwtje achterna zat. Pats. En elke winter komt de roodborst terug die vindt dat het zijn tuin is, en eigenlijk ook zijn mens, en hij gaat op een tak bij het slaapkamerraam naar binnen zitten loeren met een nog rooiere borst dan tevoren.

In NRC van afgelopen zaterdag werd de visie van bioloog Geerat Vermey op de evolutie ontvouwt. Hij beschouwt “ecosystemen als economieeën” met oog voor de productiviteit van een ecosy-steem; meer voedsel betekent een snellere ontwikkeling van soorten die bovendien elk sterker worden en onderling vijandiger; het ecosysteem als geheel wordt er afwisselender van en soortenrijker. “Roofdieren bijvoorbeeld hebben het meeste succes als zij eraan kunnen bijdragen dat het ecosysteem waarin zij le-ven almaar productiever wordt. Ik denk dat een systeem met toppredatoren productiever kan zijn omdat verschillende stoffen snel worden hergebruikt. Zonder predatoren gaat een groot deel van die stoffen verloren.” Het gold voor het Cambrium en dat is een tijd geleden, maar de wetenschapper gaf voorbeelden uit hedendaagse ecosystemen, bijv. dat de introductie van de wolf in Wyoming onverwacht tot gevolg heeft dat de bossen er beter groeien, immers zijn er minder herten om de bomen kaal te vreten. Het leek me wat kort door de bocht, ook de spitsvondigheid over de wapenwedloop die even in het wijdse uitzicht werd meegenomen. Je kunt van welk wapen dan ook moeilijk zeggen dat het een biologische aanpassing van de mens is zolang we geen robocops op straat zien. De oorspronkelijke visie echter bleef aan mijn ziel knagen; er zat een les in die iets in mij begrepen had, maar die mijn bewustzijn dagenlang niet kon opdiepen.

Als het nu ook eens zou gelden voor onze psyche – wat dat ook maar is, een ziel: konden we dan nog liefhebben? En wat voor liefde bedoelen we dan?

Ik slenterde de tuin in en ging op het bankje bij de vijver zitten. De schrijvertjes schreven het wateroppervlak vol met magische dichtregels die even snel oplosten als ze ontstonden, de goudvissen hapten naar wat ik niet zien kon, en de kikkers… waren ver-dwenen. In maart verschijnen de bruine kikkers uit het niets; één, drie, veel; nachten achtereen houden ze een diepe bromtoon aan die bijna op de rand van het gehoor ligt; ik slaap er op in en ik word ermee wakker; de vijver ligt vlak naast mijn slaapkamerraam. Op een ochtend zijn ze weg. Hocuspocus. Direct erna, in april, komen de groene kikkers; die zetten een enorme keel op, maar ook die: een paar weken, of het lijkt zo, en wèg. Als de vijver vol ligt met kikkerdril van de groene, zwemmen de kikkervisjes van de eerste lichting al rond. De goudvissen hebben het er maar druk mee. En op een ochtend in mei word ik wakker van een enorm geschetter en dan zitten, schreeuwen, vliegen en jagen er tien, vijftien eksters door de tuin achter al het rondhippend gekikkerte. Ik wist niet dat eksters kikkers aten; of misschien doden ze alleen.

Toen ik het bloedbad één keer had meegemaakt en ik bovendien zelf niet door de tuin kon lopen zonder op vijf kikkertjes tegelijk te trappen, besloot ik om elk volgend voorjaar het kikkerdril uit de vijver te scheppen zodra het gelegd was – of hoe heet dat met kikkerdril, gebaard? Te water gelaten? Het was een simpel besluit en het kon niet moeilijk zijn het ten uitvoer te leggen. Ik kocht een visnetje van het soort waarmee je vroeger stekelbaarsjes ging vangen en boog me over het wateroppervlak waar de bollende dril net bovenuit stak. Naast de dril zat een kikker. Één kikker. Een vrouwtje. En ze waakte over de eitjes. Ik schepte een net vol eruit. De kikker ging ongemakkelijk verzitten. Ik schepte er nog een netje uit. De kikker zwom dichter naar het overgebleven ingepakte kroost toe als om het onhandig te omarmen. Schep na schep lichtte ik de geleiachtige klompjes uit het water en mikte ze op de composthoop. Toen was er niets meer. De kikker begon doelloos rond te zwemmen. De volgende dag zag ik dat ze opnieuw kikkerdril gelegd had. Ik haalde het weg. De derde dag lag er nog een heel klein beetje, van twijfelachtige kwaliteit. Ook op de composthoop. De kikker zag ik pas terug in de zomer, toen ik een grasperkje afmaaide. Zij lag er dood, alleen nog dunne perkamentachtige huid. Doodgegaan door barensdrang? Zelfmoord? Heeft een kikker wanhoopsgevoelens, ik denk het niet. Maar wel een drang om te bewaren wat uit haar voortkomt – wat de eigen soort voortzetten moet. Een biologische drang.

Liefde is: behouden wat uit ons voorkomt, zoals kinderen, kroost en kikkerdril.

Kunst ook? Ja, maar niet op die manier. Kunst introduceert een morele inbedding en de biologische drang ligt daar nog voor. Het is verschrikkelijk als kunst opzettelijk kapot wordt gemaakt, als De Denker in stukken is gezaagd of de boeken verbrand worden, maar het lijkt niet onmiddelijk biologisch verschrikkelijk. Zou je niet theoretisch gezien altijd een nieuw beeld kunnen maken of een ander gedicht schrijven? Ik kan altijd een nieuw gedicht ma-ken – laat ik hier alleen voor mezelf spreken. Als het niet publiek gemaakt mag worden: leer ik het uit m’n hoofd. Dan is het er toch, maar niemand kan me ervoor aanhouden en opsluiten.

Kinderen, kroost en kikkerdril echter: je kunt er nog wat meer baren of leggen, maar er is een biologische drang met ware     doodsverachting die de nieuwe generatie van de eigen soort wil behouden. Kroost is een product van een andere orde dan kunst. Kroost zet niet zozeer mijn persoon voort, het zet de soort voort. Of ik ooit een onsterfelijke dichter ga worden, is van weinig belang als ik nog moet eten en ademen. Of mijn menselijke soort het nog een tijdje uithoudt, is van levensbelang. Op de spree killer proberen we een moreel en/of politiek antwoord te formuleren, maar de global warming, en of er voor ons nog toekomst is op de planeet: daar komen wel degelijk groene wijzigingen uit voort – ongeacht of het nu allemaal goed is voorspeld of toch weer niet. Ik vind het onjuist om dan te concluderen dat het cynisme, de leegte, de onverschilligheid de impasse verklaart die invalt na wat vreemd genoeg ‘zinloos geweld’ is gaan heten. Nee, we happen naar adem, er zijn morele vragen, er is schaamte… Maar pas als het voortbestaan van de soort in gevaar komt, gaan we wereldwijd wat doen. We hoeven dan de schrik niet te persoonlijk opvatten en kunnen de schaamte snel verhandelen. Groene stroom! Bewust afval scheiden! Oude mobieltjes inleveren! Geen spuitbus want de ozonlaag! Er zit een groeimarkt in dat voortbestaan van de soort. Niet het Fressen komt voor die Moral maar het voortbestaan. Eco-altruïsme heeft inderdaad economische waarde. De kikker die zichzelf… tsja, ‘opoffert’ van uitputting om maar kikkerdril uit te kunnen zetten.

Op dit punt aangekomen realiseerde ik me dat er enige ‘liefde bestaat niet!’, ‘sex rules!’ in de directe toekomst van mijn verhaal besloten lag. Je zou met evolutiebioloog Geerat Vermey nog een betoogje kunnen opzetten over mannen en vrouwen als toppredatoren in het immer productievere ecosysteem van jong, mooi, gehaaid en aantrekkelijk. Maar ik geloof in de liefde, dus ik moest even terug naar het triootje van de heggenmus. Dat juist daarom zo verhelderend is omdat er niet gemakkelijk gesproken kan worden van liefde als een situatie van eigendom – ‘mijn vrouw die zo mooi is dat het statusverhogend werkt’ of ‘mijn man die zoveel verdient dat idem’. Heggenmussen offeren zich ook niet op voor de eieren en liefde als langdurige gehechtheid is er geen overwe-ging; de triootjes zijn niet noodzakelijk elk jaar dezelfde en ontstaan alleen in de broedtijd.

Als ik geloof in de liefde: wat geloof ik dan? Ik heb er zojuist de laag van het voortbestaan van de soort af gepeld en er enkele andere schampere overwegingen achteraan gekeild. Wat ik wil weten heeft te maken met kwetsbaarheid.

Terwijl ik hiermee bezig was, was ik op Facebook in twee geheel gescheiden discussies verwikkeld geraakt, met mensen die ik grotendeels nog nooit ontmoet heb. De ene discussie had de zelfverbranding van de Iraanse asielzoeker tot onderwerp: of het een politieke daad was, of die te lezen was als een offer, of dat offer dan verhoord kon worden en of er nog sprake was van een louteringsaspect – een wat wonderlijke stellingname van diverse auteurs, waardoor ik mij begon af te vragen wat een offer precies is en vanuit welke visie we dat definiëren: de christelijke-Westeuropese is geheel anders dan die in de Haïtiaanse vodou. Loutering of verhoring speelt in vodou helemaal geen rol; een offer is een situatie van onderhandeling, het klassieke – pun intended – ‘do ut des’, ‘ik doe iets opdat u iets doet in antwoord’. Mijn persoonlijke visie is dan ook nog dat een offer dat enige loutering of verhoring wenst of verwacht, al helemaal geen naam meer mag maken op de kwalificatie ‘offer’; het werkelijke wegcijferen, het altruïsme sec, is de vanzelfsprekende daad, als van de kikker, maar dan als consequentie van een morele keuze, een daad die we pas achteraf een opoffering noemen als de keuze gemaakt is en dat ene leven voorbij. Konstandinos Koukidis die in 1941van de Akropolis afsprong om die ene Griekse vlag te redden. Niemand ziet het behalve een paar soldaten van de bezettingsmacht. Ik heb er nog eens een gedicht over geschreven. Het werkelijke drama, dat met de volledige inzet, gebeurt bijna terloops en onopvallend. De symboliek ervan voegen we pas veel later toe.

De andere Facebook-discussie, op een niet gerelateerd forum, betrof de vraag of het helen en louteren van zielen niet ver uitgaat boven het offer dat men alleen voor zichzelf brengt om in de materiële wereld iets te kunnen vragen als tegenprestatie. Er werden verschillende religies naast elkaar gezet: welke was ‘beter’? Ik kon ook hier niet meegaan in de oordelen, ik denk werkelijk dat lichaam en geest tesamen mijn diverse ikken uitmaken. Dit is consistent met mijn religie; the ghost in the machine is geen vodou-concept. Wat ik voor het lichamelijke nu vraag, vraag ik voor de eeuwigheid van de psyche – als eeuwigheid al bestaat en niet een vergissing van het denken is, en als psyche….

Ik voerde schijnbaar de ene discussie als dichter, de andere als manbo – vodoupriesteres – maar dat is een kwestie van accounts. In mijn hoofd is het dezelfde beweging. In mijn hoofd gingen alle discussies onderling verbindingen aan; daarbij werd… daarbij wordt de volkomen inzet van het lichaam ook de volkomen inzet van de ziel. Als ik liefheb, is daarin het voortbestaan van de soort besloten. Als ik liefheb, zet ik de deur naar die toekomst open.

Want van belang is niet of de liefde toekomst heeft. ‘Toekomst’ is een integraal onderdeel van liefde. Iedereen die eraan begint, gaat toch weer uit van ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Is dat zielig? Nee. Tenzij je bedoelt dat ziel ermee verbonden is: omdat lichaam de inzet is. Zelfs de heggenmussen die notoir kort van memorie zijn, leven hun kortstondige drieëenheid als een ‘het hoort zo want het was altijd al zo en zo blijft het’. Ook het verleden krijgt zijn betekenis vanuit het gezichtspunt van de liefde. Ik houd van je met eeuwig terugwerkende kracht.

Ik houd van je, ik zet de deur open. Naar alle kanten in tijd en ruimte. Mijn liefde opent het zicht op kwetsbaarheid. Op lichaam. Ik moet terug naar de kunst.

In 1998 hoorde ik een jonge Engelse dichteres een gedicht voorlezen met de titel ‘Het verdriet van de man zonder kinderen’. Ik kan haar naam niet meer terugvinden en ik weet geen regel meer van het gedicht, maar de betekenis veranderde mijn blik op de wereld een heel klein en heel essentieel beetje. Als de evolutiebiologie ons de groeiende productiviteit van het ecosysteem voorhoudt, groeit daarin lichaam mee met ziel omdat ik één systeem ben. Als de dichtregel mijn blikrichting wijzigt, wijzigt mijn lichaam mee en siddert de productiviteit van het hele ecosysteem. Een enkel woord is magisch.

Ik neem een dichtbundel van Andrea Zanzotto (Italië, 1921) uit de kast om een gekend citaat na te lezen, maar het boek valt open bij een ansichtkaart die ik er ooit in legde, bij “La vita silenziosa”, ‘Het zwijgende leven’ dat door de dichter opgedragen is aan een geliefde: “ … O erbe che salite / verso buio duraturo, verso / qui omnia vincit.”, “… Oh groen dat opgaat / naar een blijvend duister, naar / qui omnia vincit.” Het levende Italiaans loopt dood in het nergens meer gesproken Latijn; de dode taal zegt ons de dood aan die alles en allen overwint, “qui omnia vincit”, maar het groen gaat op en gaat op, de grassen groeien, in het gedicht voor eeuwig, en in ons die het lezen, eeuwig, want een leven lang.

Ja, ik voorspel dat de liefde in ons toekomst heeft. De toekomst heeft ons lief in het lichaam, vanwege onze volledige inzet, tot qui vincit omnia.
– – –

* Uitgesproken op 13 april 2011, bij de SLAA, tijdens ‘Nacht van het Orakel’
** Destijds ter publicatie aangeboden aan de tijdschriften TERRAS en De Revisor. Door beiden geweigerd ⌃⌃
*** De dichteres van wie ik de naam en de publicatie toen niet kon terugvinden, is Katie Donovan. Het gedicht is getiteld "The Man With No Child" en staat in de bundel "Entering The Mare" (1997)

JUNO

‘De maan! De maan staat aan de nacht’, zegt zij, weer-
barstig, tilt met twee open handjes het licht
naar de duisterende gewelven. Het zicht
is karig, maar de maan hangt als een juweel

aan het blauwende speldenkussen. Zoveel
geluk in de vorm van een sikkel die dicht
op de rand van het donker zit, zich opricht
om toe te slaan en te oogsten. Als de neer-

gaande beweging die over mij waakt, schrijft
wie ik zijn moet, heeft lichaam mij verzoend
met de eindigheid van taal, met het laatste

woord dat mijn vorm is. ‘Kom!’ zeg ik. Nu haasten,
naar huis, een ster verschiet, hollend en joelend,
‘Oma! Oma!’, waarbij ze mij steeds voor blijft.

– – –

http://ooteoote.nl/2016/01/ll81-maria-van-daalen-juno/