EN ER WAS EEN GROTE STILTE IN HET LAND

EN ER WAS EEN GROTE STILTE IN HET LAND
die ook een stilte in de hemel is
en in die stilte hangt een man tussen twee doden,
de handen uitgestrekt naar links, naar rechts.
Hij geneest leegte.
Van sterrenstof tot adem is één gebaar.
Keuze begint met een vinger op de plek die de pijn kent.
Fiat Lux.
Er zij licht.
Het lichaam is de enig werkbare inzet.
Wie kiest de mens?
Zie.
Ecce.
En God keek rond en zei: ‘Wie zal ik sturen?
Wie kent mijn kind die hangt tussen de uitersten?
Het hoofd en de voeten tussen aarde en hemel,
de handen die tijd maken en leven.
Waar vind ik iemand die getuigen zal
dat de aarde willen kennen samenvalt met liefde,
dat lichaam denkt en dient en proeft en zingt en kiest?
Hoe vind ik mijn kind die in het nu hangt
en die ik niet bereiken kan als God?’

De stilte wacht.
Ik keek mee rond, nieuwsgierig. Al die engelen,
die negen koren, serafijnen, cherubijnen,
tronen, heerschappijen, machten, krachten,
en vorsten, aartsengelen, engelen.
Maar niemand verroerde een veer.
Er was een stilte als van een kristallen zee.
In die stilte weken de tienduizenden uiteen
zonder een zuchtje vleugelslag, een ruimte
in hun midden, brak een cirkel open
en daarin steeg een verse engel op
die zeker kort geleden was ontbloeid,
zijn schouders en zijn vleugeltoppen nat van dauw.
Hij boog zich voor de troon en heel zijn houding zei:
Heer?
En er was een rimpeling in het licht.
‘Spreek.’

‘Heer, ik kom uit de tijd.
             Vergeef mij als ik te lichamelijk word,
ik heb moeite met de sterfelijke wet van zwaartekracht.
In het beneden dat ik zojuist verliet
is het vroeg in de ochtend,
er bloeien bloemen langs de kruisweg
en drie vrouwen zijn onderweg naar een graf.
Ik had ze nog niet eerder gezien omdat ik zo jong ben.

In een tijd voor daguerrotypes,
zwart tegen wit, zat ik op de schouder
van een jong meisje dat een dagboek schreef.
Ik streek met een veer langs haar voorhoofd
zodat het merkteken zichtbaar zou worden
en uw naam zou uitspreken.
Niettemin werd zij verzameld.
Ik zag laarzen, ik hoorde laarzen,
ik hoorde het kraken van botten onder de laarzen,
ik hoorde het kraken van aarde onder de botten,
ik hoorde het scheuren van aarde en lichamen.
Ik hoorde een brandlucht in elke adem,
ik hoorde het schreeuwen van as.’

Engelen kennen geen pijn.
Er was stilte maar geen mededogen.
In de hemel was ik de enige met gevoel
behalve God, die onkenbaar is,
en de Zoon van God, van wie het God-deel onkenbaar is,
en de Geest van God die onkenbaar is,
en de Moeder van God.

De Moeder van God draaide haar hoofd om en glimlachte een glimlach
die de aarde in mij samenbalde en vloeibaar maakte
en bloeddroppels uit engelenvleugels trok
die uiteenspatten op een schoolschrift in een achterhuis.
Over Gods oppervlak liep een rimpeling.
En de veer waarmee haar meisjesvoorhoofd in de tijd werd aangeraakt
dwarrelde tussen de negen koren van engelen
en geen mens strekte een hand uit
omdat ik de enige mens was
en ik strekte onwillekeurig mijn hand uit.

De vleugelpen doorboorde elke taal,
verviel doorheen de hand tot licht en loste op,
zodat mij tintelde als lang gebalde vuisten
in een woede die onzegbaar is.
En er was een ruisen als van een stormwind.
In dat ruisen weken de tienduizenden uiteen
zonder een zuchtje vleugelslag, een ruimte
in hun midden, brak een cirkel open.

‘Ik zag ver door de opening de nacht
in 1942, toen mijn vader fietste
van Den Haag naar Eindhoven, ontweek de Duitse linies
om zijn vrouw te kunnen zien,
een liefde voor een leven dat te kort was
ik zie hun handen, in de dood verstrengeld
haar ogen brekend onder zijn gezicht
maar hoe hij thuiskwam in die winternacht
in de bezetting, gevangen en geslagen
en ondervraagd, we wisten later nooit
wie de verrader, wie verraden was –
bijna zijn hele knokploeg werd gefusilleerd
hij droeg het in zijn lichaam met zich mee
in ruggenwervels, stukgebeukt, dezelfde diepe breuk…’

die de bloeddruppel van een engelenvleugel –
die een vleugelpen in het hart van de hemel –
die de naam ‘mens’ in onze hand schrijft,

die ons vraagt om te kiezen
zodat we kunnen uitademen.
Zo stil.

*Geschreven in opdracht van de Obrechtkerk in Amsterdam, voor de Dodenherdenking van 4 mei 2007, 20.02u

**Gepubliceerd in “De wet van behoud van energie” (Querido 2007), pp. 87-89

POETRY INTERNATIONAL IS DE WEG KWIJT

Of ik wel even netjes een kaartje wil kopen! En Save The Date! Want we bestaan 50 jaar!
Huh?!

‘POETRY’ BESTAAT DANKZIJ DE DICHTERS

“Beste meneer Van Ingen,
Dank voor de ‘invitatie’. Maar… ik vind het een rare bedoening. Waarom moet ik een kaartje kopen voor de feestelijke verjaardag van een evenement waaraan ik in het verleden meermalen heb meegewerkt?! Dat gaat een oude dame niet meer doen, hoor. Nog afgezien van het feit dat ik ‘s avonds laat niet meer ga reizen.

Ik had een nette vrijkaart verwacht en een hotelovernachting: zo ga je om met goede dichters.”

En dan laat ik beleefdheidshalve weg dat ik genomineerd was voor de C. Buddingh’ Prijs in 1990, dat ik gewoon op de website te vinden ben met eigen werk en dat ik in 2011 tijdens Poetry een lezing heb gehouden over Gertrude Starink, van wie ik zelfs een ongepubliceerd gedicht bezit.

‘POETRY’ BESTAAT DANKZIJ DE DICHTERS:
ik heb meer dan voldoende ervaring met het organiseren van literaire festivals om dat hardop te mogen zeggen. (‘Winterschrift’ in Groningen, het festival ‘No[o]rdschrift’, ook in Groningen, en het programma ‘het Spreek Uur’, in Almere – de laatste twee waren mijn initiatief.)

Ik raad u dringend aan om de dichters van Nederland te erkennen, te honoreren en uit te nodigen voor het jubileum van ‘Poetry’: met vrijkaarten en overnachtingen.
U wilt toch een festival?
Mààk er dan ook een festival van!


# Michael Jackson

Leaving Neverland nog niet gezien. Maar ik schreef in 2005 in Trouw https://www.trouw.nl/home/doodsgod-van-de-vodou~ae5cf374/

“Onschuldig zal hij niet wezen… Hij zal wel weer worden vrijgesproken en dat heeft dan een hoop gratis publiciteit opgeleverd.”
Verschrikkelijk maar waar.

Ik was en ben ervan overtuigd dat MJ gebruik maakte van magie (‘voodoo’, ‘vodou’) en dat dat hem die zelfverzekerde (en zelfs neerbuigende) houding gaf tijdens het proces: Jullie hebben er geen idee van wat ik kan doen. Of: Jullie witten hebben geen idee van het krachtenveld dat ik hier in werking zet. Het was af te lezen aan die ca. duizend foto’s, van het proces, die ik bekeken heb. Ik voorspelde dat hij zou worden vrijgesproken.

Later, tijdens een kort tv-interview, voorspelde ik zijn voortijdige dood: omdat hij zich met die magie ook blootstelde aan gevolgen waarmee hij geen rekening hield. Als je je uiterlijk verandert in dat van een Gédé, valt te verwachten dat ze je sneller naar hun rijk halen dan je wenst – gillend van de lach waarschijnlijk, want Gédé maken ook grappen ten koste ván: als je je niet houdt aan de codes van de Andere Wereld. Of aan de regels: anders dan vaak wordt gedacht, is magie zeer gestructureerd. Niks geen go-as-you-please-ticket. Improvisatie moet ten strengste worden afgeraden – tenzij men al zeer ervaren is.

Wat MJ aan het doen was (met de kleuren van zijn kleding, met de bedeltjes of charms en met die geborduurde applicaties) leek me in hoge mate een vorm van improvisatie. Die applicaties, of patches, zaten op de borstzakjes van z’n jasjes of op de bandjes om z’n arm en zagen er van een afstandje heel onnozel uit, net een embleempje van Eton, of een andere Engelse jongensschool. Als je de foto’s vergrootte, zag je dat er in de vorm van het borduurwerk van zo’n applicatie opmerkelijke overeenkomsten waren met diverse zgn. vévé‘s, de grondtekeningen die in Haïtiaanse vodou dienen om een Loa of spirit op te roepen. Maar de combinaties klopten niet, dwz. de combinaties van kleuren en vévé’s. En zo klopte er wel meer niet. Niet verstandig.

NB: Elke vodou-‘congregatie’ of Sosyete heeft eigen vévé’s.

Behalve in het Trouw-artikel is mijn tekst hier te lezen https://www.mariavandaalen.com/michael-jackson/

‘I AM LOOKING FOR A NEW LANGUAGE ABOUT GROWTH’ (Arne Hendriks)

but language itself is a cell with tentacles
grabs around, fastens itelf to everything that sticks out
so we begin looking through the glasses of the word, of a
covering that only slowly wears out
full of double dexterities
metaphor stacked on metaphor
evermore woolly and the contours lost,
the cutting edge. the being.
 
language does not exist, as we forget
from time to time. it’s produced sound, by the vocal cords,
the tongue, the palate – semantically
a mistake: of the oh so soft mind
that wallows in its hard peel like a cream filling
in a chocolate egg.
 
nobody knows language. language proliferates cosily
in art and culture and news and in cries
of the tortured human being, if he still has a voice that is
 
growth itself gets named and as such
caught in sugar water, by alcohol
extracted, not made
genitus, non factus –  
 
in the name of
in the as good as eternal name of
our unforgettable aberration: to have to
give meaning
 
that isn’t there: holy be the Name

‘IK BEN OP ZOEK NAAR EEN NIEUWE TAAL RONDOM GROEI’ (Arne Hendriks)

maar taal zelf is een cel met tentakels
grijpt om zich heen, bevestigt zich aan elk uitsteeksel
zodat we gaan zien door de bril van het woord, van een
slechts langzaam slijtende bedekking
vol dubbelduidigheden
metafoor op metafoor gestapeld
steeds wolliger en verdwenen de contouren,
de scherpte. het bestaan.
 
taal bestaat niet, dat vergeten we
weleens. het is geproduceerd geluid, door de stembanden,
de tong, het verhemelte – semantisch
een vergissing: van het o zo zachte brein
dat zich wentelt in haar harde schil als een roomvulling
in een chocolade ei.
 
niemand kent taal. taal woekert gezellig
in kunst en cultuur en krant en in kreten
van de gemartelde mens, als hij nog bij stem is tenminste
 
groei zelf wordt benoemd en als zodanig
gevangen in suikerwater, op alcohol
getrokken, niet gemaakt
genitus, non factus
 
in de naam van
in de vrijwel eeuwige naam van
onze onvergetelijke aberratie: te moeten
betekenis geven
 
die er niet is: geheiligd zij de Naam

MEDUSA

MEDUSA: ‘HIER IS TAAL, WEES GEWAARSCHUWD’

Nee, mijn titel is geen variant op Hic Sunt Leones, al zou het mij niet verbazen als die leones alsnog opduiken. Maar bij het zien van deze prachtige foto van de nieuwe Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja, dacht ik aan de Medusa.

*De twee foto’s naast die van Tsead zijn van de Medusa: verbeeld in een mozaïekvloer[1] (Piraeus, 2e-eeuw n.Chr.) die bewaard wordt in het Nationaal Archeologisch Museum te Athene (de foto is van mei 2018) en op een schilderij van Caravaggio (1571-1610). In alle portretten zit een enorme actie; op het tegeltableau als spiralend rondom de Medusa die het rustpunt is en bij Caravaggio uitgaand van de Medusa die zelf gepijnigd lijkt.

Tsead, als de Medusa: die Medusa was toch een vrouw? Misschien niet: in de zgn. archaïsche tijd in de Griekse cultuur (8e-5e eeuw v.Chr.) was ze het afschrikwekkende hoofd met uitgestoken tong (als bij een Maori ‘haka’) met slagtanden en een baard, van een rennende figuur in mannenkleding. Later pas, in de klassieke tijd (5e-4e eeuw v.Chr.), wordt ze een even afschrikwekkend vrouwenhoofd met haren als slangen, vaak met vleugeltjes aan weerszijden van haar hoofd zoals de god Hermes, de bode van de goden. Soms heeft ze vleugels op haar rug wanneer ze helemaal is afgebeeld.

Just as Medusa exists in multiple types of stories in the mythological record, she is also portrayed in multiple ways in ancient art. Her appearance changes drastically through the centuries, but she is always recognizable due to her striking frontality. It is rare in Greek art for a figure to face directly out, but in almost all representations of Medusa, despite style and medium, she stares ahead and uncompromisingly confronts the viewer.[2]

Volgens een van de vele mythen waren zij en haar twee zusters samen de Gorgonen[3], een griezelig drietal van wie alleen Medusa sterfelijk was. Iedereen zou verstenen die naar Medusa keek. Nu valt me direct die dichtregel in van Hans Faverey, “Is het gorgonenhoofd / werkelijk zo stuitend[4], waarvan Gerrit Krol vond dat men die “eerder in de Opperlandse taal- en letterkunde zou verwachten”[5], mogelijk vanwege de bijna hinderlijke dubbele betekenis van ‘stuitend’.

Het Gorgonenhoofd ‘stuit’ degene die het durft naderen. ‘Stuitend’ is hier een vorm (het zgn. tegenwoordig deelwoord) van het werkwoord ‘stuiten’, dat is ‘tegenhouden’, ‘stoppen’, met de aspecten ‘plotseling’ en ‘tamelijk hardhandig’. En dat gold ook nog toen de held Perseus het hoofd afhakte en aan de slangenharen omhoog hield: een heel aanstormend leger versteende. Het afgehakte hoofd werd door de godin Athena op haar schild geplaatst. Een duidelijk signaal: stop! Niet verder! Blijf uit de buurt! Wel ongeveer de actie die je van elk schild verwacht, nietwaar.

Het hoofd doet verstenen: metaforisch begrepen roept het een sterk afwijzende reactie op. Vergelijk bijvoorbeeld ‘ik vond dat een stuitende uitspraak’. Hier functioneert het woord niet zozeer als een handeling van dat ‘hoofd’ maar eerder als een effect dat het heeft op de aanschouwer: we keren ons ervan af.

In de Griekse cultuur werd de Medusa, mannelijk of vrouwelijk, vaak afgebeeld op deksels van potten, of op vazen, of deuren. Het is een zgn. apotropaeon, een afweermiddel. Wat weert het af? Het kwade. Het onheil. Een leger (Perseus) en in het algemeen, vijanden (Athena). De nieuwsgierige mens. Maar Faverey maakt er een vraagzin van: is het wel ‘stuitend’?

Zijn gedicht geeft direct antwoord met “of verstijf ik vanzelf, telkens / zodra ik onverwachts door mijn spiegel stoot[6]. De dichter schouwt via de taal in zichzelf en weet de dood in zich aanwezig: “het gorgonenhoofd (…) is dan de doodsdreiging zoals die zich openbaart vanuit het eigen innerlijk.” Omdat “het in het subject ingebouwde verderf identiek is aan het zelf.”[7] Faverey schrijft ‘gorgonenhoofd’, met een kleine letter, hij verwijst naar meer dan naar de Medusa. Ik verstijf als ik kijk in de spiegel van mijn taal, mijn gedicht, want mijn taal zegt mij mijn dood aan omdat ik een levende ben: “Ik, de verschrikking, ingebouwd in mij, / omdat ik leef[8].

Daardoorheen is het de taal die mij vastzet. Je bepaalt, met de taal. Je benoemt, je ‘geeft namen’. Precies wat Adam doet in het Genesisverhaal, elk dier wordt benoemd en dus bepaald door de gegeven naam: nu weten we wie je bent. Maar het is ‘met name’ de geschreven taal die zo bijna onuitwisbaar is, die in de werkelijkheid vaak leidt tot een onwrikbaarheid van opvattingen en ideeën.

Daar gaat de taal van de dichter tegenin, van binnenuit: brandende geschreven taal met hernieuwde metaforen ingezet tegen amechtige geschreven taal met vastgeroeste betekenissen. De nieuwe taal blaast de oude taal op, doet die ontsporen, zet de taal in tegen zichzelf. “Lees maar, er staat niet wat er staat.[9] Lees maar. Schrijf maar. Een oneindig karweitje, voor elke volgende generatie dichters. Steeds raakt die taal weer vast.

De onnavolgbare Robert Graves, in zijn roemruchte “The White Goddess” en het later verschenen “Greek Myths”, geeft deze verrassende interpretatie van de mythe van Medusa[10]: Perseus en Hermes zijn door elkaar gehaald, mogelijk vanwege Hermes’ bijnaam Pterseus, de Vernietiger. Het is Hermes die rondvliegt op al die zwart-rode vazen, met een tas waar het hoofd met de slangenharen uit piept. Het Gorgonenhoofd, jazeker, maar er is niemand onthoofd. Het is alleen een masker, een apotropaeon, het ‘stuit’ de nieuwsgierigen die weleens even in dat tasje, van kraanvogelleer, zouden willen kijken.

Wat zit erin? De letters van het alfabet! Oorspronkelijk werden die verbeeld door stukjes hout of takjes, van bomen, een boom per letter van het zgn. bomen-alfabet. (Ja, van de runen tot de beukenhouten letter van Gutenberg resoneren er weer andere verhalen mee in deze mythe.) Dat alfabet is het eigendom van de godin in haar drie gedaantes, de drie Moirai (Schikgodinnen), of de drie Graeae, of de drie Stygische nimfen: het alfabet is hun uitvinding. Het is magisch, het mag alleen door ingewijden worden gehanteerd.

Dan krijgt Hermes het in handen. Steelt hij het, leent hij het, of is het een cadeautje? De mythen spreken in hun eigen taal over historische veroveringen. Die zijn er de oorzaak van dat het geheime alfabet verspreid werd. En de Medusa krijgt de vleugeltjes van Hermes toebedeeld: verba volant, maar de poëtische scripta manent zijn ook gevleugeld…

Van magische letters naar algemene leescultuur. Het dichterschap bewaart, behoudt de magie.

En dat alles ‘lees’ ik in de foto, die foto van de nieuwe Dichter des Vaderlands. Een full frontal, oog in oog met de Medusa: pas op. PAS OP. Taal zit niet vast, taal leeft. En omdat zij leeft, confronteert zij ons met onze sterfelijkheid.

* * *

PS: En hier past mij een persoonlijk post scriptum. Vanwege Hans Faverey. Hij eiste van mij, tijdens onze langdurige gesprekken, in 1986 en 1987, toen hij eigener beweging mijn opvoeding tot dichter ter hand nam – daar had ik geen zeggenschap in, of zo leek het – dat ik “The White Goddess” zou lezen. Heel goed zou lezen.

Ik ging op zoek naar het boek. En trof prompt een keurig exemplaar aan in een bijzondere, later helaas verdwenen, tweedehands boekhandel, in Groningen waar ik toen woonde. Inmiddels, meer dan dertig jaar later, ligt het volkomen uit elkaar en moet ik er uiterst voorzichtig in bladeren, zo vaak heb ik het herlezen. Oh ja, er is veel kritiek op het boek gekomen van academische zijde. Maar ik geloof in Graves’ werk. Het is onvolprezen als lofzang op de kracht van de poëtische taal.

En mede daarom is het laatste woord aan Hans Faverey:

Wie de waarheid spreekt,
is zelf een Kretenzer.”[11]


*De foto van Tsead Bruinja is gemaakt door fotograaf Tessa Posthuma de Boer

[1] Zie ook http://ancientrome.ru/art/artworken/img.htm?id=6077

[2] https://www.metmuseum.org/toah/hd/medu/hd_medu.htm *Het ‘bold’ is mijn keuze.

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Gorgonen_(mythologie) Opmerkelijk is de mededeling, onder vermelding van Apollodorus van Athene (ca. 180-115 v.Chr.), over het bloed van een Gorgoon, dat links in de bloedsomloop dodelijk en rechts genezend zou zijn: dat wijst op [enige] kennis hoe de bloedsomloop werkt, zie bijvoorbeeld https://www.hartwijzer.nl/bloedsomloop

[4] H. Faverey, Verz. Gedichten, DBB 1993, p. 586 (“Reeks tegen de dood” uit de bundel “Tegen het vergeten”):
 
Is het gorgonenhoofd
werkelijk zo stuitend;

of verstijf ik vanzelf, telkens
zodra ik onverwachts door mijn spiegel stoot,
en, als plotseling opgevlogen in mijn hoofd,

zoals een regenlijster het nog eenmaal
probeert aan zijn lijmstok, of een vis,
al muurvast met zijn kieuwen –

Ik, de verschrikking, ingebouwd in mij,
omdat ik leef, ik het niet wil weten
hoe zélf ik het ben: dit dodelijke,
dit onherbergzame dodelijke.

[5] G. Krol, De mechanica van het liegen, Querido 1995 https://books.google.nl/books?id=3eNxAAAAQBAJ&pg=PT125&lpg=PT125&dq=in+het+gorgonenhoofd+werkelijk+zo+stuitend&source=bl&ots=j11UIfdMhW&sig=ACfU3U3smFsP9PH-C_moxsBZPxRKLMNt9g&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwib5JSIoP3fAhVPJ1AKHdl7AywQ6AEwAXoECAUQAQ#v=onepage&q=in%20het%20gorgonenhoofd%20werkelijk%20zo%20stuitend&f=true

[6] Zie noot 4

[7] https://www.dbnl.org/tekst/_spe011199501_01/_spe011199501_01_0005.php

[8] Zie noot 4

[9] M. Nijhoff, Verz. Gedichten, Uitg. Bert Bakker 1976, 6e dr., p. 216, “Awater”

[10] R. Graves, “The White Goddess”, Faber & Faber Ltd. 1961, p. 229 vv., en “The Greek Myths”, dln. 1 en 2, Penguin 1978, p. 73 vv. e.a. 

[11] H. Faverey, Verz. Gedichten, DBB 1993, p. 295



DE VERBEELDING

Tussen aug. 1995 en jan. 1997 woonde ik in Noord-Amerika, in Iowa City, in de staat Iowa. Dat lijkt het midden van niks, maar het is een erg leuke universiteitsstad met ook nog een prachtig en internationaal georiënteerd poëzieprogramma[1] en een vertaallaboratorium bij die universiteit. Ik vermaakte mij daar prima, deels met een reis-/werkbeurs, deels met een baantje aan de universiteit. Regelmatig had ik optredens, eerst de hele staat door en later heel Noord-Amerika door.

In het begin was mijn Engels nog heel schools en heel Brits – Amerikaans-Engels is echt een andere taal, maar dat wisten we nog niet, het digitale tijdperk was net begonnen. In die tijd had ik een vertaalster voor mijn poëzie. Zij was Nederlandse, maar woonde al langere tijd in USA. Zij keek een beetje op mij neer. Waarom? Omdat ik overtuigd was van mijn talent als dichter. Dat vond zij aanstellerij.

Je moet begrijpen, toen ik begon te publiceren, in 1989, waren er helemaal geen vrouwelijke dichters, dwz. je had Elly de Waard en Neeltje Maria Min en Fritzi Harmsen van Beek en de rest was dood. Er werd door iedereen op neergekeken als je als vrouw dichter wilde zijn. Dat dééd je niet, dat was voor van die vreemde mannen. ‘Leer een vak’, zei mijn vader. Dat heb ik dan ook maar gedaan, ik ben netjes ‘drs. Nederlandse taal- en letterkunde met lesbevoegdheid’. Maar goed, in USA was ik gewoon de dichter – dat was daar ineens helemaal niet raar, daar waren heel veel vrouwelijke dichters. Wat een opluchting!

Op een middag had ik ergens voorgelezen, bij een mooie activiteit in de natuur, met een kleine ontvangst erna. Behalve mijn vertaalster waren er allerlei mensen van het stadje komen kijken en luisteren. Heel gezellig. Ik stond net zelf ook te keuvelen, met een glaasje, in het mooie zomerweer, toen ik achter mij de schelle stem van mijn vertaalster iets hoorde zeggen tegen een willekeurige bezoeker. Het ging over mij. En ze was niet aardig, tenminste, ze probeerde om niet aardig te zijn.

Ze probeerde tegen de man te zeggen ‘dat ik teveel verbeelding had’. Dat is in het Nederlands een begrijpelijke, wat negatieve uitdrukking. Als je die in het Amerikaans-Engels wilt vertalen, kun je het beste zoiets zeggen als ‘too conceited’. Dat deed ze niet, ze vertaalde het letterlijk. Misschien was ze niet helemaal helder of had ze net een glaasje teveel op. Ze zei met enige stemverheffing en een beetje verontwaardigd tegen de man dat ik ‘too much imagination’ had.

‘Too much imagination’, dat betekent vooral ‘teveel verbeeldingskracht’. Maar verbeeldingskracht kun je nooit teveel hebben. Het werd zo ineens een compliment. Ik hoorde het, onbedoeld ongetwijfeld, en ik moest zo lachen dat ik m’n eigen slok wijn nog op het nippertje kon binnenhouden. Ik keek om en stond oog in oog met de Amerikaan die dat net over mij te horen had gekregen.

Hij bekeek me met de grootst mogelijke bewondering. De rest van die receptie heeft hij voortdurend nadrukkelijk om me heen gedraaid, droeg beleefd zwijgend glazen aan, zei heel af en toe wat, maar staarde mij merendeels aan met een uitdrukking van groot ontzag. Mijn vertaalster keurde hij geen blik meer waardig, maar ik was duidelijk iets héél bijzonders.

Ik liet het mij mooi aanleunen en had die hele middag een grijns van oor tot oor. Ik heb het haar nooit uitgelegd. In de maanden erna verdween ze naar een andere staat en ik weet niet waar ze gebleven is.

[1] https://iwp.uiowa.edu/ Voor mijn aanwezigheid, zie https://iwp.uiowa.edu/residency/participants-by-year/1995 (even naar onderen scrollen), “Western Europe, The Netherlands, Europe – Maria van DAALEN (poet, Netherlands, b. 1950; IWP 1995) studied Dutch language and literature, specializing in medieval Dutch courtly lyrics (of several hundred works in this genre, most are from the 14 th century). Since 1990 she has focused on her own poetry, publishing six books with her primary publisher, Querido (Amsterdam): Raveslag, 1989 (The Beat of the Raven’s Wing); Onder het hart , 1992 (literally, Under the heart or Pregnancy); Het Hotel, 1994 (The Hotel); Het geschenk//De maker, 1996 (The Gift//The Maker); Elektron, muon, tau , 2000, which is a book of sonnets, partly bilingual American-English and Dutch (all sonnets written in both languages by the poet), and YO! de liefde, 2003 (Wow! it’s love). She has taught Creative Writing with American Studies (University of Groningen) and is currently writing an essay on Vodou (voodoo) as a conception of reality.”

‘DE DEINING GEKEERD’

“…wie duwt de golven van de zee terug?
het pogen zelf doet weer een golf ontstaan…”

J.H. Leopold

1 opmaat
als het aanlandige wind is
en springtij,
hoogwater
en volle maan
dan fluistert men in de tram
‘Heb je het nieuws gehoord?’
bedoeld is: het weerbericht

Het was aanlandige wind.

2
LIEFSTE
Er was geen zoutere geur dan de jouwe.

Je omvatte me, je bewoog me, je dreef me, je
weidsheid
bracht elke golf in mij tot rust.

Zover het oog reikte zag ik oppervlak,
deinend groen, blauw, turquoise, iriserende
huid, lichtend, optillend vermogen, doorwaadbare
buiging, beweging, evenwicht vol leven, eeuwig-
heid vol zindering, trilling, oneindig
lichaam

amniotische vloeistof, vruchtwater

van de eerste eencellige tot het brein van de Tyrannosaurus Rex
van de zweepdiertjes tot de werking van lever en schildklier
van het licht in de ogen van de axolotl tot de vuurzwaaiende Neanderthaler
in de tijdelijke eeuwigheid van drie-en-een-half miljard jaar

de oceaan die de aarde omvat
vol vissen in scholen en eenlingen, de kraken, de grote octopus
walvis, vinvis, bultrug, noord- en zuidkaper
potvis en narwal, beloega, de spitssnuitdolfijn
en plankton en krill – de baleinen
oceanen, hoe zwaar is de wereld?

hoeveel evenwicht, één zee alle zee, één zeewater,
één enkel glas vol, nee, één druppel
nee, één oceaan die de aarde omvat
is schepper, voortbrenger
minnaar

er was geen zoutere geur dan de jouwe
je omvatte me, je bewoog me, je dreef me, je
weidsheid
bracht elke golf in mij tot rust
en we dansten, we dreven

en ik rolde om, met mijn hoofd in je schoot en toen zag ik je diepte en het zand op de bodem
er was dus een bodem
er was bodem
er was land

ik kon er niet zijn en niet ademen
maar er was land
en een keuze

ik rolde terug, hief mijn hoofd uit het water en zwom alsof mijn leven ervan afhing
leven, dat hing ervan af
van het strand
jouw strand
mijn strand
jouw branding
mijn land
en de zon ging onder

er was geen zoutere geur, schepper, minnaar
en ik trok me terug

het land in je omarming
werd het land dat je tegenhield
je deining die mij aanspoelde
liep op tegen het schip dat je huid doorsneed met haar kiel
het zout dat je achterliet in mijn tranen
verbleekte op de hand die je leeg viste
die plastic achterliet
ritselend

ik trok me terug
en het land groeide een dijk

ik weefde losse schermen van wilgentenen
zette die in je zuigende getijden tot er kleideeltjes in achterbleven
tot er nieuw land aanslibde waar ik nieuwe dijken omheen zette
en weer wilgenteenschermen ervoor
waarop nieuw land
aanslibde
en dijken

Ga weg, zee
moge je zout uit de aarde regenen
zoetwaterrivieren je vullen
plastic je verdoezelen

ik zette een zandwal tussen jou en mij
duinen en helmgras en basaltblokken
met duinparelmoervlinder, kommavlinder, bruine eikenpage
zeldzaam, genoeg, ooit jouw eigen schepping
maar gebied brak aan

ik maakte een weg, mijn stappen zijn veilig
mijn deining is van mij, de hand op mijn heupen
de mijne
een armlengte, een dijkbreedte, een landengte
weg van je verlangen
en je geur waait me achterna
tussen uitlaatgassen en vers asfalt

ik geef je een naam:
buitendijks, buitengaats
kolkende maalstroom
duizelende golfslag
breekwater, doodtij, dijkafslag
verwoester

ik ontnam je een zout bassin vol vis en gewemelte
en mijn land brak aan, mijn tijd
vulde een zee vol wrakhout, het zout spoelde weg met rivieren
Eem, Vecht, IJssel en Amstel
vullen een meer nu met zoet, ze bannen je achter de sluizen
‘afsluitdijk’ is voorgoed een richting
van stormvloed en leeftocht en ebbend getij
naar een broedseizoen vol toeristen

en dan komt de zeearend

ik bouwde een land op
met dijken en polders
met windenergie en waterbeheer
met maaiende molenwieken

ik keer je de rug toe, zee, liefste, zee, zo diep als ik sta
drassig eerst, vast land dat inklinkt alsof het muziek is
maar soms, als de meeuwen roepen
met mijn hoofd in de wind, mijn ogen die tranen, mijn zout
jouw zout

en onder mijn voeten liggen de schepen
ingekuild, vast in de grond
alsof ik voor altijd aan dek sta
aan bakboord: land
stuurboord: ook land

maar de zee

*Voorgedragen bij de opening van de tentoonstelling 
"De deining gekeerd",
Provinciehuis Flevoland, dd. 20 apr 2018: 
Expo ‘De deining gekeerd’ in provinciehuis
** Zie ook https://www.facebook.com/ProvincieFlevoland/videos/1650964871650132/ vanaf 10:10min

sonnet ‘Almere’ in een verkiezingsmagazine…


ALMERE
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.

Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.

Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.

Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.

---
*Uit mijn dichtbundel “De wet van behoud van energie” (p. 42, Querido, Amsterdam 2007).

**Dit sonnet hangt aan de buitenmuur van een pand aan de Paarlemoervijver, Regenboogbuurt, Almere Buiten, eea. in opdracht van woningcorporatie De Alliantie.

https://www.facebook.com/photo.php?fbid=10215442737809758&set=a.3457048433087.244230.1477143349&type=3&theater

van de alpha

Er zitten helden in die beker wijn en aaseters,
# Yasezi, en doodshelmen.
Waar komt die wens tot heldendom vandaan.
We rijden paarden en breken door de sterrenregen,
we rijden dolfijnen en vinden een schat op het strand.
Maar niemand kent de waarheid.
De waarheid is een ster, verborgen in een witte schelp.
Je vindt die alleen als je een dichter bent,
een échte dichter, aangestuurd door, nou, de Muze.
Die is niet mak. We doden een haan,
we smeren het bloed aan de deurpost, oh nee, op de grond, of
aan de machetes,
we leggen de vévé’s – maar niemand houdt ons bij, zelfs niet
de eeuwigdurende rivier die ons bloed toch kent in haar opstroom, in
haar voorbijgaan.
We wachten.
Er drijft niets voorbij. Een aak ligt aan de andere oever, een containerschip rijdt over de
golven. De rivier kent de weg,
de rivier kent de weg, de rivier is onaangedaan. Die wacht niet, rekent niet
met geld, goud, of batterijen. Of krachtcentrales.
Kracht is de wind. Hijs het zeil, de zeilen!
Wij varen. Vooruit het zeegat, achter de stroom, de wind, en de laster.
Er is leven in de armoe: als er wind is, is er leven.
Wij zijn de toekomst. De toekomst is een delta.
De delta is de toekomst. Steek de dijken door, licht
de verkeerde bakens aan. Laat iedereen
zijn, of haar, lompen, meenemen, aantrekken, weg-
frezen… de dood komt eerder dan ijzer. Dan asfalt, heet uit de ovens. Dan smeltwater.
De wereld is een optie, genomen door een veelvraat, veelkenner, van elders, van Alpha
Centauri A, de ster aan het hoefijzer.
Zo varen de scheepjes voorbij. Ei. Niets
is altijd wat het lijkt.
Ayibobo.

https://de-internet-gids.nl/2018/no1/van-de-alpha