Het leven zelf is een ommuurde tuin
met wilde bloemen en met zomernachten,
geritsel van de egel en de zachte
geluiden van de duif die in de kruin
zit van de eik, de stam standvastig, schuin
gegroefd, vergroeid door schade ooit, de krachten
van wind en vuur. Van tranen. Maar ook brachten
de jaren het geluk. Een volle tuin.
Zelf werkzaam zijn, het goede te verwachten,
een open poort, een open hart, tevreden,
zo houd je alles groen en vol in bloei.
Dat vereist moed. Je leven, dat is groei.
Vrucht dragen is de allerbeste reden.
Ik ben mijn eigen tuin: Hof der Gedachten.
Op 8 juli 2026, ook mijn 76e verjaardag, werd dit gedicht feestelijk onthuld! Woningcorporatie de Alliantie had alle bewoners, en nog wat bekenden, uitgenodigd voor het vrolijke feestje dat volgde, nadat ik het sonnet had voorgelezen (mp4 hierboven): een ‘womibo’ met poëzie! Drankjes, hapjes, en een genoeglijk samenzijn met iedereen ‘van onze gang’ en van andere gangen 🙂
Cadeautje aan ons, van de 25-jarige Alliantie, en een cadeautje van mij (het sonnet), aan alle bewoners: omdat ik hier zo heerlijk woon en omdat iedereen hier zo vriendelijk is!
Het gedicht hangt in de hal van het gebouw waarvoor het is geschreven, mooi aangebracht (geciseleerd, lijkt het) op glanzend metaal – een heel gewicht!
De Letterpers in Amersfoort verzorgde de prachtige speciale editie, diepdruk, op Khadi papier (handgeschept):
Op een van de eerste dagen dat ik hier woonde, deed ik het raam open en hoorde het magische geluid: tapieieie… tapieieie…
Wat, een scholekster? Echt?
Die iconische vogel van het wad, ‘bonte piet’, waarvan die roep en de onverwachtse verschijning een zoute geur van eb en vloed meebrengen. De waddeneilanden, Vlieland, Ameland, Terschelling. Strandwandelingen en oneindige zomerdagen, zeventig jaar of meer geleden. De trage gang, blootsvoets, door het slik aan de Waddenzee-kant, langs schelpen, krabbetjes, zeewier.
‘Tapieieie…’, die blije toon van zo’n scholekster, zo van ‘kom maar hierheen, jongens, lekkere pieren en wormen!’, die hoog over onze hoofden zwiert… in Kattenbroek! Hoe is het mogelijk…
Jawel, hoor.
Ze broeden hier, de scholeksters. Op de daken.
Misschien zelfs recht boven m’n hoofd, want op deze vierde en hoogste verdieping is het dak ook heel duidelijk míjn dak. Al kan ik de eventuele nesten niet zien, want van de monteur die vorig jaar de zonnepanelen kwam inspecteren, mocht ik niet ook het dak op.
Begrijpelijk, met m’n stramme artrose-gewrichten. Maar jammer.
Intussen heb ik in de twee jaar dat ik hier woon, de fraaie wit-zwart-rode ‘bonte piet’ zo vaak gehoord in het lokale klanklandschap, dat ‘tapieieie…’ bijna even gewoon is als het koeren van de duiven, het krijsen van de meeuwen en het felle gepiep van de meerkoeten. Maar het vakantiegevoel erbij, dat blijft.
En wordt versterkt door Park Schothorst, met haar eeuwenoude beuken en het geurende rozenprieel vol zwaar zoemende bijen en hommels.
En door de vijver van Emiclaer met haar vele, vaak enorme vissen. Ook met kalm dobberende kuifeenden, duikende futen, pijlsnelle blauw-oranje ijsvogels, narrige Canadese ganzen.
Met gele lissen, waarover ik er een van m’n allereerste gedichten schreef, toen ik nog op de ‘lagere school’ zat. In Haarlem, op de Dreefschool.
En door het moerasje bij de Emiclaerse vijver, met de paars-bloeiende rietorchissen, gele ratelaars, gele grote wederiken, paarsige moerasandoorns, en wit-bloeiend waterdrieblad.
De volle maan.
De wuivende ginkgo’s en moeras-cipressen langs het Masker, met het speelnest van de eksters in een brede vertakking precies voor m’n raam.
De schitterende vergezichten bij de rivier Eem, als ik een uurtje ga fietsen over de dijk, aan de noord- cq. oostzijde ook een deel van de Grebbelinie.
De vriendelijke mensen die allemaal ‘goedemiddag’ zeggen, of gewoon ‘hallo’, met een vriendelijk hoofdknikje, als ik ze tegenkom op de dagelijkse wandeling.
Ooit, in 1990, vond ik er eentje voor ons huis, in Groningen, in de wijk Helpman. Hij, of zij, lag plat op de grond, de vlerkjes uitgestrekt tegen het plaveisel. Er cirkelden wat katten uit de buurt omheen. De kinderen waren mij komen waarschuwen.
Het beestje bewoog nog, maar moeizaam. Zijn/haar oogjes hadden iets hysterisch. En hij piepte. Ik kon het tik-tik-tik van de radar van een vleermuis niet meer horen, daar was ik toen ook al te oud voor. Maar deze was dusdanig ziek en wanhopig dat hij hoorbaar piepte.
‘Jullie hebben hem toch niet aangeraakt?’ vroeg ik de kids. Nee, dat hadden ze gelukkig niet. Want ik had dadelijk gezien: rabies. Hondsdolheid. En de hondsdolheid van vleermuizen is een variant die voor ons mensen dodelijk is.
Of de katten het beestje hadden aangeraakt, weet ik niet. Nooit verder iets gehoord over besmetting, in de buurt. Dus dat is waarschijnlijk goed afgelopen.
Ik pakte m’n bouwhandschoenen (we waren toen aan het verbouwen) en een plastic doosje en deed het beestje daar voorzichtig in. Met gaatjes in het deksel zodat hij/zij voldoende lucht had. Toen belde ik de Dierenambulance.
Ze kwamen hem/haar dadelijk halen. De volgende morgen belden ze me: ja, rabies. En helaas overleden.
Arme vleermuis.
. . . . .
(2)
Mijn eerste buitenlandse poëziefestival was in Faenza, in 1992.
Op zekere avond was het ‘podium’ een plek voor een mooie oude ruïne, hel verlicht achter ons, de dichters, die een voor een voorlazen.
Ik las het gedicht ‘Onderweg’ (later gepubliceerd in ‘Het Hotel’, Querido, 1994, pp.10-12). Het was vertaald door mijn Italiaanse collega Stefano Dal Bianco. Ik las de Italiaanse vertaling voor.
Het envoy, de laatste strofe van het gedicht, begint met:
‘Een vleermuis is niet dichterbij dan een zwaan.
Ze gaan uiteen, deze
om te sterven, gene om zingend
te sterven. (…)’
Het eerste zelfstandig naamwoord van die strofe was dus ‘pipistrello’. Vleermuis.
Als je voor een grote groep mensen staat, kun je goed zien welk effect je woorden hebben. Bij ‘pipistrello’ zag ik heel wat mensen merkbaar schrikken.
Wat merkwaardig, dacht ik. Waarom zou je schrikken van een vleermuis in een gedicht? En ik las kalm verder.
Na afloop nam ik weer plaats in het publiek, naast de dichter-vertaler. Hij boog zich naar mij over.
‘Maria. Toen je pipistrello zei, kwam er achter je een enorme vleermuis uit de ruïne en bleef lange tijd kalm rondcirkelen boven je hoofd.’
. . . . .
(3)
In begin jaren tachtig (van de vorige eeuw) woonden we in de wijk Beijum, in Groningen, aan een klein woonerf, met aan drie kanten woningen. De vierde kant was toen nog vrij en je keek er uit op wat weilanden met vlakbij een oud boerenhuisje. ’s Avonds vlogen er weleens vleermuizen omheen.
Op een avond, ik was aan het koken en keek toevallig even uit het keukenraam, zag ik een groep mensen bij die open vierde zijde van het woonerfje staan. Er kwamen steeds meer mensen bij. Ze keken naar het weiland, met grote ogen, en praatten zacht dooreen. Wat zou er aan de hand zijn? Ik zette alles even uit en liep erheen.
Waar het oude huisje had gestaan, was alleen nog een kale plek in het weiland. Kennelijk was het die dag geruimd. Maar niemand had de vleermuizen gewaarschuwd. En omdat die nauwelijks iets zien en alleen op hun radar vliegen…
…vlogen de vleermuizen er nog steeds omheen. Of, dat dachten ze waarschijnlijk. In de invallende schemering vloog een wolk donkere vleermuizen precies rond en rond en rond de rechte hoeken en het schuine dak van het afwezige boerenhuis. Zodat dit huis zich helder aftekende binnen de bewegelijke wolk donkere vliegende schaduwen.
Het huis was weg maar het was er nog.
De vleermuizen aten onverstoorbaar vliegjes en mugjes en gaven in hun snelle kantelingen en scherp berekende vlucht, vorm aan een huis dat er niet was. Met rechte hoeken. Met een schuin dak.
We werden allemaal stil. We keken.
De volgende dag, in de avond, waren alle vleermuizen weg.
Van 1962-1968 was ik een leerling van het [toen nog] Gereformeerd Gymnasium aan de Keizersgracht in Amsterdam. Halverwege die tijd werd de naam gewijzigd in Woltjer Gymnasium en in 1972, toen ik studeerde aan de VU (Nederlandse taal- en letterkunde), werd het gymnasium opgeheven. Ik vond het een rare beslissing, want juist zo’n kleine school, met een paar honderd leerlingen in één overzichtelijk gebouw, was enorm gezellig. Maar alles moest groot, groter, grootst, de Mammoetwet werd ingevoerd, scholen werden enorme leerfabrieken en alles verdween. Leek het. Er was nog een reünie in september 1989, toen Querido net m’n eerste dichtbundel had gepubliceerd. Voor de zekerheid had ik een oude schoolfoto meegenomen naar die reünie en dat was verstandig, want niemand herkende mij meer. Het verlegen meisje met van dat steile melkboerenhondenhaar was nu een hooggehakte magere vrouw met spierwit gebleekte spikes. Aan mijn gymnasiumtijd heb ik ooit één gedicht gewijd. Dat was het. Dacht ik. Maar in april van dit jaar kwam er een reünie. Met de oude schoolband. Met al die mensen aan wie ik weleens met enige weemoed had teruggedacht, in al die jaren, op al die reizen, in al die landen, ver ver weg. Daar was iedereen. Of, bijna iedereen. Er waren namen weggevallen, gezichten weggevallen. Maar er waren nog foto’s. En wij waren er nog. De goede vriendin die ik leerde kennen in klas 2, in 1963, en die nog steeds mijn beste vriendin is, die ook moeder werd en oma is, ging met mij mee, en wij hadden een prachtige dag. Met iedereen. Of ik wel een gedicht wilde voordragen, was mij tevoren gevraagd. Dat deed ik. Het gedicht dat ik ooit schreef, ‘Gereformeerd Gymnasium’, dat werd gepubliceerd in ‘De wet van behoud van energie’ (Querido, 2007). Maar ook een soort tegenhanger ervan, met de titel ‘Ut Cognoscant Nos’, voor de reüniecommissie geschreven, maar wijder, ruimer, en een levensbericht. En… ‘steek je hand op’, een cabaretesk geintje, met herinneringen, en herkenning voor heel wat aanwezigen, dat zag ik wel aan de gezichten terwijl ik het las. Kijk:
‘UT COGNOSCANT NOS’
Zes jaar schooltijd was een scherp bewaarde schat achter een dichtgevallen deur – sterfgeval, verlies, vergeten. Alleen de twee vriendschappen waren meegegaan naar later en door die
ogen, door die ruimte kijk ik terug, ik zie het geluk van lezen en schrijven ontsnappen: Latijn, Grieks, Frans, Duits, Engels, Nederlands, al- maar taal en meer taal wast aan van blad tot blad
en bloeit door de dood heen naar het licht. Ik liep alles na, een dode taal in vaste regels opent het venster: adem voorbij de punt.
Kunst is vormgeving van emotie. Je kunt jezelf zien hollen in de verte, nu levens- groot. ‘Ken uzelve’, zei de stem in Delphi.
. . . . .
steek je hand op als er gerookt werd in de meisjes-wc steek je hand op als er gespiekt werd bij meneer Scheps en hij dwars door de klas met grote passen naar de deur beende, die opentrok en ‘Fraus! Fraus!’ door de school deed galmen steek je hand op als er gezoend werd in Krasnapolsky steek je hand op als het enorme schilderij achter de rector in de kamer van de rector onbegrijpelijk was en verwarrend Apollo en Marsyas, dacht ik met dat mensenvel dat erbij hangt, je weet wel maar op de foto uit 1964 zie ik dat het een soort proclamatie is zo is het geheugen, betrouwbaar als horror romantisch ben je, dichter steek je hand op want de rellen bij De Telegraaf je zeulde je zware leren schooltas door het traangas steek je hand op toen de Beatles door de grachten voeren Inez en ik drosten ’m, de Vijzelgrachtbrug, we gilden ‘Paul! Paul!’ steek je hand op Beatrix’ en Claus’ verloving, reden vlak langs me, grote auto ik maakte foto’s met m’n Kodak Instamatic vond zojuist de negatieven terug steek je hand op als je je hand opstak: ‘Meneer, mag het raam open?’, dat mocht niet
Inez en ik deden het raam open we werden drie dagen van school gestuurd ‘Eindelijk’, zuchtte mijn vader, achter mijn rug, proestend, tegen mijn moeder
steek je hand op…
bij Von Berg: de Latijnse vertaling ‘wat nou, vertaling, iedereen heeft het gemaakt, toch?’, fluisterde Inez naast me
ik stak mijn hand niet op, maar Von Berg wees mij aan en ik las het Latijn voor
‘JE VERTALING!’ – de magere Von Berg was briesend ‘maar iedereen verstaat dit nu toch?’, zei ik argeloos
toen ook Von Berg bijna huilend van het lachen over zijn bureau hing durfde iedereen te lachen
. . . . .
GEREFORMEERD GYMNASIUM
Ut Cognoscant Te. Het was Latijn voor mij dat gouden letters brandden op de gevel. Ik sjouwde dagelijks met schooltas kregel van station naar Keizersgracht en terug. Geen vrij
op zaterdag. Grote Avond, verliefd, hij wil schuifelen, licht uit, er is geen regel voor, in de meisjeswc hing de nevel van sigaretten, pas op, je bent erbij.
Ik leerde hem pas kennen toen we een nacht lang naar huis liepen na het eindexamen- feest, de duur van een verlangen, op de tast
vonden we de weg, naar binnen, alles past in elkaar. Vergeten ben ik alle namen maar taal bleef eeuwig. Mijn minnaar kent mijn kracht.
Het dekzand uit de ijstijd werd een grasveld met verse molshopen langs het wandelpad. Mollen zoeken onvermoeibaar naar leven, ze brengen grond omhoog met grote ijver,
ruiken de wilgenkatjes bij de vijver, horen de bonte specht in het park even goed als de regenworm, die stilletjes wat aarde verwerkt. Elke lichtseconde telt
als de ijsvogel duikt, geluidloos. Ringen ontstaan en lopen over helder water tot het nest van de meerkoet (er zijn eitjes).
Het nieuwe riet komt op in groene rijtjes. Ik wandel met mijn stok door de dag, later hoor ik mijzelf zacht een oud liedje zingen.
Mijn twee bijdragen voor het Vriendenboek (ISBN 978 94 6000 666 1) voor Aad Meinderts waren een brief en een sonnet. Het sonnet was bedoeld voor publicatie in het boek, de brief niet. Maar die is er toch ingekomen, wat betekent dat iemand die moet hebben overgetypt en onherstelbaar verbeterd door mijn woord ‘ghetto-‘ te vervangen door ‘getto-‘. Orthografisch keurig, maar niet mijn keuze. Wel heel leuk: met een foto van de door mij, aan Aad, meegezonden blauwe metalen, wat verbogen, ‘N‘.
Hierna: eerst het sonnet, met foto, dan de brief (ed.). Met foto van de foto van de ‘N‘.
HET WARENHUIS VAN DE LITERATUUR Mémoires, brieven, losse blaadjes, stencils, altijd die vraag, gooi ik het nu al weg, of gaat dit in een map, een doos, in het bestoft archief, als ik dat heb? ‘Bewaar niets’, lispelt zuinigjes mijn boekenkast, waar niets vermist is zolang het gedrukt staat. ‘De belofte je ongebonden ruimte te bieden, of noodopvang: neen.’ Maar Aad verzon een list:
‘… bewaar het lichaam in taal, het avontuur dat je blijft schrijven, bij ons, betekenis en de materie: in de bibliotheek
zoals die eeuwenlang de juiste plek bleek. Oudegracht honderd-zeven-en-zestig is nu het ware huis van de literatuur.’
*Acrostichon ‘Magazijn …de zOn‘, tw. de nieuwe locatie van Literatuurmuseum en Kinderboekenmuseum, in Utrecht.
BRIEF Het was de schuld van de N. Echt. Ik had er niets mee te maken. Maar de Muze, u weet…
Die N, die was eraf gevallen. Op een oudejaarsnacht. Ik ga altijd gewoon lekker slapen. Buiten was het omstreeks twaalf uur een enorme herrie. Dronken gelal, vuurwerk, geroep en gegil op straat.
Mij maakt het niks uit. De buren zijn schatten, allemaal, en ik doe hevig aan sociale cohesie. Dus ik groet iedereen, ik ken iedereen, en ik zorg voor snoepjes met Sintmaarten. Daardoor kennen de kids mij ook allemaal. En omdat ik hier al bijna twintig jaar woon, zie ik ze ook groot worden. Maar ze blijven me groeten.
De Regenboogbuurt, in Almere Buiten, is een mix. Van sociale-huur en koop. Heel slim. Nooit geen ghetto-vorming en weinig rommel op straat. En alle huizen hebben een kleur, van buiten. Dat is een speciale verf. Iets met mineralen. Heel duur. Ben ik blij dat ik geen koopwoning heb. Want je bent verplicht dat bij te houden. Bij ons doet de woningcorporatie dat.
Toen ik hier kwam wonen, dacht de woningcorporatie nog even dat ik wel naar een koophuis zou gaan. ‘Een arme dichter zeker’, zei ik verontwaardigd. Oh, prima, en konden ze mij dan misschien een opdracht geven? Voor een gedicht op het pand waarin ik woon? Dus nu staat er op, sinds begin 2009:
THUIS mijn Sepiastraat is okergeel // de hoge lucht ziet blauw zonlicht opent raam en schaduw // zingt ik ben van jou
de hoek is rond het hart is rood // een lied dat hier begon waar ligt het smeltpunt van geluk // en waar de horizon
Dat ging niet zomaar. Het gedicht telde eerst acht regels. Maar de grafisch vormgever mopperde tegen mij dat er teveel ramen in het pand zaten en dat het korter moest. Daar werd het gedicht beter van. Kritiek is nuttig. Ook dit soort kritiek.
Eerder al had ik mijn sonnet ‘Almere’ aangeboden. Dat was toen net gepubliceerd in mijn dichtbundel ‘De wet van behoud van energie’ (Querido 2007). Daar gold zeker voor dat het niet op ons pand kon. De woningcorporatie besloot toen dat ze ‘Almere’ op een blinde muur van een pand verderop zouden laten zetten. Daar kijkt een kapperszaak op uit, niet een woonhuis. Het nadeel daarvan is dat de letters, die bij beide gedichten, ‘Thuis’ en ‘Almere’, stuk voor stuk aan op de muur geschroefde regels zijn vastgeklikt, er bij ‘Almere’ soms af worden gehaald. Ik heb weleens geprobeerd om woorden te bedenken met de letters die op de lege plekken stonden. Dat is nooit gelukt, zodat het mijns bescheiden inziens niet een kwestie is van plezier in tekst. Af en toe werken de vormgevers het weer bij, gelaten.
Beide gedichten werden vormgegeven en geplaatst door Beedesign. Het eerste distichon staat op de lichtgele voorkant van het pand. Het tweede distichon staat om de hoek, op de zijkant, half op een lichtgeel deel, half op het lichtblauwe deel.
En toen op die oudejaarsnacht, viel er een N af. Van het eerste distichon, op straat. Dat zag ik pas op nieuwjaarsmorgen. Ik was naar buiten gelopen om de buurvrouw gelukkig nieuwjaar te wensen. En daar lagtie. Een N. En forse blauwe N, een klein beetje verbogen. Door het vuurwerk, vermoedelijk. Een beetje verbouwereerd pakte ik ’m op en nam ’m mee naar binnen. Ik had toen nog niet eerder meegemaakt dat er weleens een letter afvalt, bij een gedicht in de openbare ruimte. Beedesign herstelde het gedicht. Het is nooit meer gebeurd. Uit welk woord de N afkomstig was, herinner ik me niet meer. De N heb ik in het raam gezet. Daar stond hij totdat…
…totdat ik het verzoek kreeg van Bertram Mourits en Daan Cartens om een gedicht te schrijven voor een Liber Amicorum met de werktitel ‘Het warenhuis van de literatuur’, ter gelegenheid van uw afscheid. Ik keek peinzend rond in huis, of ik niet nog een ander cadeautje erbij had…
Die N.
En prompt zag ik dat die N ook uit ‘warenhuis’ gevallen was om er het ‘ware huis’ van te kunnen maken. Zodoende… (…)
**Ik heb nadrukkelijk gewerkt met mijn kennis van Haïtiaanse vodou en enkele citaten van vodouliederen in de tekst opgenomen, in de taal ‘Haïtiaans Kreyol’, omdat de opdracht was: maak een gedicht bij het werk van Lafleur&Bogaert, dat zijn Michel Lafleur (Haïti) en Tom Bogaert (België). Evenzo heb ik enkele citaten opgenomen uit de Gruuthuseliederen (Brugge, ca. 1400), daarvan had ik eerder al eea. vertaald.
***De regel ‘LUNYON FE LA FOS’, de wapenspreuk van Haïti, in het Frans ‘L’Union fait la force’, betekent zoveel als ‘Eendracht maakt macht’.
1
Ik luister buiten naar het lied van de merel.
Een hommelkoningin vliegt rond bij de zwarte-bessen-bloesem maar de knoppen zijn nog dicht. Dan de rozemarijnstruik maar even afspeuren. Paarse gapende kelkjes. Gelukkig. (Geland.)
De eenzame bruine kikker bromt in zijn waterbadje. Hij wil niet weg. Maar er komt nooit bezoek.
De merel geeft zijn fluitconcert. Zo heeft hij gefloten voor alle andere heiligen, eeuwen geleden. Altijd hoog boven hun hoofd. (Staat hij weleens op een schilderij? Jan van Eyck, Brueghel, Petrus Christus?)
Er breekt een zeldzaam blauw tussen het lichte wolkendek door. Overal dunne witte randen langs het zachte grijs. En blauw, daarachter.
In plaats van de engel landt er nu een ekster. Alleen als ik stil zit.
De rooddoorschijnende, vers geopende handjes van de esdoorn vormen een vévé voor Manbo Ayizan en Papa Loko. ‘Ayizan, salu Legba é !’
‘Doe eerst de deur open.’ Legba doet de deur open.
de deur naar de werkelijkheid naar het lied naar het zingen
naar hoe de wit-roze kersenbloesems in de hele straat, twee weken lang, drie rijen kersenbomen breed de hemel boven onze hoofden houden vol wiegelende takken en bevende schaduwpartijen
hoe de kersenbloesems loslaten en zweven zweven naar aarde
‘balanse balanse balanse’ houd uw evenwicht
ik luister ik luister naar de taal en het zweven
Ik schrijf alleen op wat er gebeurt.
Gran Bwa woont in de esdoorn. De esdoorn komt uit Canada. Meer precies: uit Chambly, Québec. Gran Bwa reisde met mij mee uit Haïti. De esdoorn heb ik illegaal ingevoerd. Als zaailing. Per KLM.
Gran Bwa woont overal waar het buiten is. Hij is de sapstroom, de vegetatie, de groei en de barstende knoppen. De woudreus, de iroko, die het bos overziet, die staat en toch constant verandert. Beweegt. Locatie, daar gaat het om.
Mijn locatie is dit gedicht.
…
2 Ik luister aan het water naar het gedicht.
Overal wuift het fluitenkruid met ragfijne witte bloemschermpjes, het ‘Hollands kant’. Bolle gele bloemtrosjes wiegelen op dunne stengeltjes. Koolzaad en meer koolzaad, bosje na bosje, een sloot lang.
Een dagpauwoog. Een atalanta. Nog een, een klein witje, voortgeblazen door de wind die stevig zuid-zuid-west is: wandelend vind ik telkens die eerste vlinder, heel alleen
nog, op zoek naar… ja, wat? Een vlinder die heen en weer dartelt als de ander begint met de bruidsvlucht, erop af gaat, kleurenblind
de feromonen herkent en volgt in het luchtspoor van vleugelslag op… klap!… vleugelslag
en twee bonte zandoogjes achter huis die elkaar vooreerst niet de tuin uit vechten, de tere vlindervleugels tot rafels slaan – dat komt nog
ga opzij, kleintje, zoek een bloem, zoek honinggeur, duik, vlieg de tuin uit
…
3 Ik vlieg de tuin uit.
Het gedicht knikt mij toe, als Jan van Eyck, als de kardinaal die knielt aan de voeten van Onze Lieve Vrouwe. Ik veeg de rafels bijeen.
De wereld is uit elkaar aan het vallen, ik heb er geen invloed meer op, mijn vleugelslag heeft er geen invloed meer op. Waar is het nieuws dat ik trap op een vlinder die de orkaan veroorzaakt?
…
4 Ik adem en de naam wolkt langzaam uit mijn mond
Een regenworm steekt zijn hoofdje omhoog Wanneer is de aarde klaar?
Zij verandert in zichzelf en tolt langs de hemel
Vandaag zag ik Michel, hij woont in Nazon, Michel zit vermoeid op straat en kijkt langs de flanken, daar staat de magistraat van de cacicazgo van Jaragua, Cacique Anacaona, de moeder/de dichter, gouden bloem, draagt haar gouden speer losjes in haar rechterhand en tikt er ongeduldig mee op haar linker: wanneer begint het het vuur uit de aarde, het gedicht, de locatie
Waar is de naam
… 5 de Naam is overal waar het Maken begint
…
6 Tom is in Buda/Pest hij spreekt met Michel, online er is een rivier die beide oevers verbindt
overal is water
water is mijn locatie de weg van Agwe, Mèt Agwe, Agwe Tawoyo
‘Agwe, Agwe taroyo mes ami ce pas promene cheche, ki mete mwen la O se Bondje avec la twa mwen Ki mete mwen la Peche d’la te la vi’n nan men bondié’
‘Agwe, machtige Agwe! lieve vrienden, we hoeven niet lopen zoeken naar wie mij hier heeft neergezet het was God zelf…’
ik woon op de bodem van de zee waar Manbo LaSirenn schelpen voor me heeft achtergelaten die ik vind als ik een vijver maak als ik in de tuin sta te spitten om een vijver te maken
elk van haar schelpen is een bericht ze vallen uiteen tot gruis als ik ze optil ik hoef ze niet aan mijn oor te houden om haar bericht te horen
‘Fouye racine. Zoek naar de essentie zoek naar de wortels, naar de basis die er niet is omdat die er is zoals wij elkaars wortels zijn omdat wij de basis zijn van aarde
ik zwem en in het zwemmen draait zij, de aarde zo beweegt locatie die is en voortdurend verandert
adem in water draag vuur in aarde open het licht’
… 7 epiloog
Const, cracht, wille, zonder daet, daerof en comt goet no quaet. Ende hoge daet zonder wise raden, dats een recht beghin van scaden. Met wisen rade const beleit, dats een behouden aerbeit. Ende cracht met wizer const tezamen, dat brinct tweerc te zire namen. […] [Maer] aerbeit ende const tezamen beroert zinnen ende lechamen.
We gaan talent en vermogen in daden omzetten, ten goede, dus niet ten kwade
want werkzaam zijn met ons talent ontroert… en zo verandert de mens
[…] Die rude en weet hoe verre, hoe bi den rechten loon der consten zi. Dus willic minen waghen mennen an die de weghe der consten kennen. So sal mijn pine in den fijn na rechter werde vergouden zijn.
Er zijn er altijd, aan hun hart wil niets raken dan werkt geen kunstwerk dat schuurt bij het maken dan werkt ons werk niet, dan scheuren de dagen de levens, de aarde, het licht kan niet dragen
maar denk aan de vlinder, één hand al kan strelen aanraken en tasten, uit één groeien velen
wij brengen geopend het licht en het zweven van bloesems naar aarde, van aarde naar leven
– – –
<tenslotte>
‘Oh zwak, vernuftig, broos geval, sneeuw of glas ben je van nature, zeg niet: ‘Doen we later wel’, want morgen zijn ze op, jouw uren. Waar vind je ooit, voorbij de gure dood, voortduren wat leeft? Toch niets? Want dood komt echt. Al zou je op vervulling aansturen van wensen, dure, de dood stelt iedereen terecht.’
‘O cranc, onseker, broosch engien, snee of glas als dijn nature, niet en sech: ‘Dit sal ghescien’, want du ne hebs morghen tijt no ure. Waer vintstu eenighe creature die ghedure jeghen de doot, die commen moet? Al eist so, datti hier ghebuere dijns weinschens cuere, de doot die werpt di onder voet.’
Als de eerste gierzwaluw gesignaleerd
is – een echo van de nieuwe maansikkel,
wendbaar, een vogelvlucht die een sonnet schrijft
waarin alles rijmt op zomer – komt rauwe
sapstroom omhoog in groene stelen die weer
kruisen, zich aan hun tak in bundels schikken.
Hoe de kersenboom verandert en toch blijft
staan met meer bladeren die openvouwen,
zich toont als de betrouwbare stam, ruw hout
waar de wit-roze bruidsbloesems aan hingen
die volgend jaar zullen bloeien en zweven.
Een andere tijd in hetzelfde leven.
Nu in de zon diep ademhalen, zingen.
Wij zijn het lied, altijd jong en altijd oud.
De vrouwen vegen tafels en banken schoon,
de mannen die het tentzeil bijeen binden
rijden de ijscokar terug de auto in
terwijl een laatste bezoeker langszij komt,
hulpeloos rondkijkt. ‘Het is voorbij’, mompelt
de wind in het gras. ‘Voorbij! Wat is de zin
van honing, gedichten, en bloesem? Vinden
jullie ooit ergens rust? Alles waait gewoon
weg naar aarde…’ Boomtakken strekken zich uit,
laten een laatste wit-roze bloemblad gaan.
Bruinrode kelkjes vormen een bruin tapijt.
Kersenbomen zonder kersen, zonder spijt
van het bloesemfeest. Nu breekt de zomer aan.
Alles wordt groen, de zon warm, de wind is zuid.