*bij het werk van Evelien Stor

De aanraking bevestigt de ander. Tik!
Jij bent ’m! Kinderen rennen rond de boom,
schaterend, schieten alle kanten op, stroom
van wapperende handjes, voetjes die schik

erin hebben nog even snel… een kwartslag, blik
van gemaakte ontzetting, ben ik… En loom
lacht de tikker, nu jij weer! Holt zelf gewoon
weg als een haas, en daar gaat het spul… En ik

steek tastend vingers uit naar herinnering,
een moment verleden is bijna een ding…

*Natuurkunstpark Lelystad 2020

*bij het werk van Sietse van der Wal

Als je geluk hebt – tegelgeluk ☺ – klinkt er
muziek uit die ene tegel waar je óp-
gestapt bent, of die je nu aantikt: tíííng! Stop
niet met dansen, zing mee met het lied dat ver

uit de steeltjes, de bloemblaadjes, uit de ster
van fijne gedroogde vertakkingen, op-
licht en doorzichtig, stap voor stap, als hiphop
de ruimte doorzeeft. Je adem, je lach, verder

nu, een eeuwig moment van natuur die je
draagt, die je ook bent: wij zijn dit blad, zie je.

*Natuurkunstpark Lelystad 2020

*bij het werk van Ninette Koning

Breng geel in het landschap als een vuur, waarom
stroomt het licht opwaarts langs de wilgentenen,
in hun trillend traliewerk verschenen
knoppen, openingen, bogen, die klaar om

te verbinden aanzwellen, het stoeit daar om
met zwiepende bundels kracht te verlenen
aan doorgang, doorgaan, zichtlijn van de ene
aarde vol ruisende takken die maar om

beweging zingen met adem uit de grond:
dat opstaan uit de dood in ruimte uitmondt.

*Natuurkunstpark Lelystad 2020

*bij het werk van Linde Gadellaa

Reik me je handen en laten we dansen,
lief, dwars door het park en door nacht en door dag!
We draaien en buigen, neigend met een lach,
kussen van blad tot blad zonlicht en kansen

op aanraking, adem… Wortels verschansen
zich diep in de aarde, beperkt is gedrag…
Nee, dat lijkt zo! Want alles ligt open, mag
worden en groeien, we dragen de kransen

van bloemen, dat zijn we, en ooit gaan we dood.
Maar aarde belooft ons: je slaapt in mijn schoot.

*Natuurkunstpark Lelystad 2020

*bij het werk van Johanna Braeunlich

Als rood op ’t water, kringen van daglicht
met drijfvermogen die met vliesdunne
woorden in ons leven verankerd kunnen
worden, zich zacht bewegen in het uitzicht…

Als stenen die moeiteloos hun evenwicht
tussen waterlelies bewaren kunnen,
met bolronde binnenruimte: de hunne,
klankrijk en vol herinnerde berichten…

Wij zijn gemaakt van leem, het duurt maar even.
Wij tikken zacht tegen elkaar, wij leven.

*Natuurkunstpark Lelystad 2020

*bij het werk van Michel Bongertman

Blauw verschiet de lucht als een vogel vertrekt
uit het licht, moeiteloos tussen de tralies
landt en op de rand van de kom heel precies
de snavel in water doopt, de kop heft, strekt

de weerloze hals en slikt. Langs veren lekt
een druppel, rolt door purperen weerschijn, kiest
een weg naar de aarde. Eksters, kauwtjes, driest,
rukken vergeefs aan de kooi: die overdekt

ons veilig. We vliegen zingend in en uit,
het lied klinkt hoger, het park ruist van geluid.

*Natuurkunstpark Lelystad 2020

*bij het werk van Folkje Nawijn

Geworteld zijn we, zegt men, in de aarde
en in de werkelijkheid van alledag –
of is dat liefde? Dat je teruggeven mag
wat je gekregen hebt, wat je bewaarde

in elke vezel van het leven, waar de
adem de bloedcellen aanraakt, warmte zacht
kloppend licht wordt en uitstroomt. Dat je verwacht
wordt, aangeraakt bent en dat doorgeeft naar de

anderen rondom je, rondom ons, hier, want
we zijn allemaal kinderen, hand in hand.

*recursief sonnet ovv. De Gids

Gebouwd van woorden zoals in de boeken
op de planken rondom me aan drie zijden,
wisselend klanken en accenten bij de
verschuivende betekenissen zoeken,

een mens maken, in stilte, de gewijde
ademhaling en de hartslag verdoeken
tot het bijkans weer vers is als de kloeke
tekens worden teruggelezen, ze breiden

zich onstuitbaar uit, scheppen het vergezicht
van nu, van toen, van land en licht en water
lachende echo… en de werkelijkheid?

Ja, ook, laat mij daar in de oneindigheid
luisteren en herhalen, het lied staat er
als vierde zijde, het raam gaat niet meer dicht.

 

*met een knipoog naar Nijhoffs beroemde ‘Bommel’-sonnet, mn. de regel “laat mij daar midden uit de oneindigheid”, cf. https://www.dbnl.org/tekst/nijh004verz05_01/nijh004verz05_01_0128.php

**zie verder https://www.de-gids.nl/artikelen/recursief-sonnet en https://www.de-gids.nl/

APRIL IN DE TUIN

Hardnekkig roe-koe-koe zeggen geeft je ook
een bestaansreden. Ik luister slaperig
of een olijftak ’m de snavel snoeren
wil, maar helaas, nee. Bont zandoogje danst, look-

zonder-look bloeit plotseling keihard. Belo-
ken Pasen, impromptu concert: de stoere
slag van een vink, vijftien mussen, schraperig
nog twee kauwtjes, er krijst één zeemeeuw die dook

naar een verbeeld broodje. Twee ganzen gakken
overal doorheen, staccato. De roodborst
tikt, de duif koert, de wilg wiebelt onrustig,

de zon schijnt geruisloos, dwingend warm, lustig
en vol. De plons van een bruine kikker morst
klinkklare druppels die door het kroos zakken.

# ‘doodle’ :)

Haast Pasen. Christus is in quarantaine.
Nog twee dagen, zeggen ze, de engelen,
dan mogen ze van God het aanzwengelen
van de opstanding beginnen, in scène

gezet met rennende vrouwen, zonder gêne
slapende soldaten die straks bengelen
aan de galg, moeten ze maar niet hengelen
naar vergeving. Ja, het is even wennen,

dat christendom. Pilatus vindt ’t niks, kan
zijn handen domweg in onschuld wassen. Bar
Abbas dealt weer. Jezus zou liefst gaan vissen

maar zijn vader is nu eenmaal timmerman.
Hij slaat een kruis, nagelt vast, heft de hamer.
Naar de afloop van alles mag men gissen.


*Of misschien: ‘Na de afloop van alles blijft ‘t gissen.’   🙂