SPOOR

Er ligt een bevroren laagje sneeuw op de klinkers van de straat. Dat is niet een dag voor oma om te gaan fietsen met een vijfjarige achterop. We gaan dus wandelen. Niet helemaal naar huis toe, daar nemen we straks de bus voor. Maar eerst heeft ze een klein uurtje muziekles, een beginnend lesje, met andere kinderen, met spelletjes en zingen en even op de piano spelen.

Van school naar de kunstlokatie is hoogstens tien, vijftien minuten. We zullen er ruim een uur over doen. Die tijd hebben we best. Maar oma wil evengoed de kortste weg nemen en die gaat dwars door het station.

Dat is leuk, zeg. De doorsteek loopt hoog boven de sporen en de treinen en bij elke volgende overkapping moeten we even gluren hoeveel sneeuw erop ligt en wat een grote sneeuwpop je daar wel van zou kunnen maken. En kijk, daar gaat een trein! En daar nog een! Als je meestal in de auto zit, is een trein een adembenemend mysterie.

Aan de achterzijde is een roltrap, omhoog, en er zijn trappen. Met een rare geul ernaast. Voor de fietsen? Nou, je kunt er ook een bal in gooien. Een tennisbal dan, ‘een voetbal is te groot, oma!’. Jammer, een bal hebben we even niet bij ons. Volgende week!

De wandelweg buiten is een brede stoep met een besneeuwd landje ernaast. Oma stapt, met wandelstok, langzaam over de stoep. De vijfjarige holt dezelfde afstand tien keer of meer heen en weer in de sneeuw en soms omhoog naar het duintje dat dezelfde richting volgt. ‘Ik ga sneeuw op jou gooien!’ Oma vindt het best. Al gauw zijn haar wollen handschoentjes doorweekt. Oei, koud. Wat nu?

‘We gaan spoorzoeken!’, zeg ik. Spoorzoeken, wat is dat? Ik wijs in de sneeuw, zet mijn voet nadrukkelijk op een vers plekje en til die erna op: de schoenafdruk van oma. Oh, dat is makkelijk, dat kan zij ook, en zij laat direct een heel spoor achter terwijl ze stappend over haar schouder kijkt naar de afdrukjes.

‘Wat heeft híer gelopen?’ Ehhh… ‘Een hond’, zeg ik. ‘En hier z’n baas, zie je wel?’ We gaan langzaam langs de volgende vijf meters en ze wijst enthousiast alle hondensporen aan. ‘En welke kant is díe hond op gelopen?’ Dat is een moeilijke. ‘Je kunt het zien aan de nageltjes, die zitten maar aan één kant, zie je wel? Dus dat is de goeie richting.’ Een blij gezichtje: weer iets nieuws geleerd.

Ook je eigen voetsporen geven een richting aan. ‘Maar als je nou achteruit loopt?’ Ze voegt de daad bij het woord. ‘Dan kun je het zien aan de diepte van de voetafdruk’, leg ik uit. ‘Als je achteruit loopt, is je hak dieper dan je tenen. Als je vooruit loopt, zet je je af met je tenen en dan is die afdruk dieper.’

Hee, het geldt ook voor vogels dat er een richting aan te wijzen valt. Nu wordt de sneeuw ineens een open boek. De kraaien stappen, de eksters hippen, de duiven schuifelen, en soms zie je ernaast wat sleepsporen van de diverse vogelstaarten. Maar…‘Oma! Wat heeft híer gelopen?’

Zij staat halverwege de helling (hoe houdt ze daar haar evenwicht, het is zo glad) en wijst naar een rijtje piepkleine gaatjes op regelmatige afstand van elkaar, een rijtje dat omhoog kruipt, het duintje over. Het zijn geen deukjes van smeltwaterdruppels van overhangende halmen of takjes, zoals onderaan bij de stoep. ‘Een klein….’

Nee, niet een vogeltje. ‘Het is een muis’, zeg ik stellig. Een muis! Deze dag kan niet meer stuk, zoveel is duidelijk. ‘Hij is hier uit z’n holletje gekropen!’ Ja, dat kon best eens kloppen.

Als we heel veel later thuis komen, is er de tuin. Daar heeft niemand in de sneeuw gelopen behalve de vogels. En dus moet ze even flink heen en weer hollen. En ze oefent: achteruit lopen zonder dat iemand kan zien dat je achteruit gelopen bent. Dus heel voorzichtig je voeten neerzetten. Alles wat je leert kun je aanpassen.

DICHTER DES VADERLANDS – een nieuwe dichter, een quasi-archaïsche term

VOORTREFFELIJK
Tsead Bruinja is de nieuwe DdV: goedzo, een tweetalige dichter. Gefeliciteerd, Tsead! Mooie foto ook, als een Medusa: taal heeft vele tongen.

Ik herinner me nog goed dat je een hardwerkende student was in mijn eerste college Creative Writing.

Het college werd gegeven bij American Studies en de voertaal was Engels, maar studenten mochten van mij ook in het Nederlands schrijven.

Op zeker moment zei ik tegen je: ‘In welke taal denk je? In welke taal zeg je ‘au’ en ‘ik houd van je’? In het Fries? Ga dan ook in het Fries schrijven. In je moedertaal liggen de emoties dichterbij. Dat is pijnlijker voor jezelf. Maar de rijkdom en de ruimte van de taal wordt zo onvergelijkelijk veel groter.’

En toen schreef je in drie talen…

Friesland, ik feliciteer u vandaag ❤️

*Van 1998-2000 doceerde ik Creative Writing (de allereerste opleiding in Nederland) aan de Rijksuniversiteit Groningen, bij American Studies.
Dit op verzoek van prof. dr. Wil Verhoeven, mede omdat ik anderhalf jaar lang (1995-1996) betrokken was geweest bij het International Writing Program, en Creative Writing, aan de University of Iowa, ook de moederuniversiteit van elke Amerikaanse universitaire Creative Writing Course.
Mijn college aan de RUG was een groot succes. Bij de overgang naar de zgn. BaMa-constructie werd het echter niet geprolongeerd.

https://nos.nl/artikel/2267944-tsead-bruinja-nieuwe-dichter-des-vaderlands.html

HOMEOPATHISCH

Een paar dagen geleden kocht ik bij de slijter een fles wijn. Witte wijn. Hij was nog van 2015, stevig afgeprijsd en zo zoet als honing. Maar daar gaat het nu niet over, want ik heb ‘m intussen allang opgedronken. Nee, dit gaat over die fles. Die was van plastic.

Ik moest daar bij de aanschaf heel hard om lachen. Ik tilde de fles op en onwillekeurig verwachtte ik dat het glas iets zou slippen in m’n bezwete hand omdat het zo warm was. Dus kneep ik net iets te hard – en hij deukte in. De kassadame giechelde. Gek, hè, plastic, zei ze. Ja, gek. Maar handig. Dacht ik. Dus toen die leeg was vulde ik ‘m met water en zette ‘m in de koelkast. Kon ik tenminste koel water drinken als ik buiten in de tuin zat. Waar het ook in de schaduw tegen de dertig graden liep. Even géén wijn. Water, liefst met ijsblokjes, of flink gekoeld. In plastic glazen (‘n rare benaming, goed beschouwd). En in een plastic fles.

En toen zat ik buiten en nam ik een slok.

Wijn. Witte, honingzoete wijn. Dat was heel duidelijk. Zonder alcohol. Dat was ook heel duidelijk. Ik keek verbaasd naar m’n groene plastic glas en toen naar de doorzichtige plastic fles. Ik opende de fles en rook er eens aan. Wijn. Zonder enige twijfel. Het bijbelverhaal waarin Jezus wijn maakt van water schoot me te binnen. Ah, zo had hij dat dus gedaan: je vult wijnvaten met water en het smaakt naar wijn. Zonder alle vervelende bijkomstigheden. Handig, zo’n wonder, dat komt nog eens van pas. Kun je dus ook gewoon thuis doen.

Maar toen bedacht ik dat er een hele (echte of nep?) wetenschap op gebaseerd is: de homeopathie. Je zoekt een passend geneesmiddel tegen een kwaal – passend, dwz. een kruid dat dezelfde uitwerking heeft op het menselijk lichaam als de kwaal die je hebt – en dan verdun je een tinctuur van dat kruid in zo hoge mate dat het feitelijk niet meer in je vloeistof zit. Volgens de homeopathie herinneren de watermoleculen zich dan de werking van het oorspronkelijk kruid en voeren die netjes en zonder bijwerkingen uit. Handig.

Dat kun je dus ook met wijn doen. Homeopathische wijn. Dat dronk ik die middag. Elk glas had die honingzoete geur en smaak, de kleur van water en alcoholgehalte 0,0. Je moet d’r maar opkomen. Je brengt een hele industrie aan de bedelstaf. Maar het is wel goedkoop, zeg. Wat vreemd dat die hele homeopathie sinds 1796 aan het verdunnen (‘potentiëren’) is geslagen met kruiden enzo, en het nooit eens geprobeerd heeft met wijn. Succes verzekerd, zou je toch denken. Want als het werkt met geneesmiddelen, moet het met andere dingen ook werken.

Ik had ineens visioenen van verdunningen met drugs, met tabak, met alcoholische dranken en met koffie. Met koffie heb ik het naderhand nog even geprobeerd. Dat werkte prima. Wel ijskoffie maken, hè! Dus gewoon koffie zetten, die koud laten worden in een fles in de koelkast, dan lekker opdrinken en de fles vervolgens vullen met water: één fles homeopathische koffie.

Bij de tweede fles lukte het trouwens niet meer. Dat gold ook voor de wijn. Maar ja, Jezus probeerde ook niet om die wijnvaten nog een tweede keer te vullen. Je kunt zo’n wonder ook uitwonen. Was dat wonder niet bij een bruiloft? De ‘Bruiloft te Kana’, nu schiet het me te binnen. Dus als je een bruiloft hebt: gewoon de helft van de wijn bestellen en dan de flessen allemaal opnieuw vullen met water. Da’s nog eens een financiële besparing. Duurzaam trouwen heet dat.

Ik overwoog nog even om patent aan te vragen op het idee. Maar waarschijnlijk zou dat een hoop sores met zich meebrengen, niet in het minst omdat de homeopaten natuurlijk zouden beweren dat het allemaal allang was uitgevonden. Dus dit is een Free Download.

Ik neem nog een glaasje.

 

 

 

DE VERBEELDING

Tussen aug. 1995 en jan. 1997 woonde ik in Noord-Amerika, in Iowa City, in de staat Iowa. Dat lijkt het midden van niks, maar het is een erg leuke universiteitsstad met ook nog een prachtig en internationaal georiënteerd poëzieprogramma[1] en een vertaallaboratorium bij die universiteit. Ik vermaakte mij daar prima, deels met een reis-/werkbeurs, deels met een baantje aan de universiteit. Regelmatig had ik optredens, eerst de hele staat door en later heel Noord-Amerika door.

In het begin was mijn Engels nog heel schools en heel Brits – Amerikaans-Engels is echt een andere taal, maar dat wisten we nog niet, het digitale tijdperk was net begonnen. In die tijd had ik een vertaalster voor mijn poëzie. Zij was Nederlandse, maar woonde al langere tijd in USA. Zij keek een beetje op mij neer. Waarom? Omdat ik overtuigd was van mijn talent als dichter. Dat vond zij aanstellerij.

Je moet begrijpen, toen ik begon te publiceren, in 1989, waren er helemaal geen vrouwelijke dichters, dwz. je had Elly de Waard en Neeltje Maria Min en Fritzi Harmsen van Beek en de rest was dood. Er werd door iedereen op neergekeken als je als vrouw dichter wilde zijn. Dat dééd je niet, dat was voor van die vreemde mannen. ‘Leer een vak’, zei mijn vader. Dat heb ik dan ook maar gedaan, ik ben netjes ‘drs. Nederlandse taal- en letterkunde met lesbevoegdheid’. Maar goed, in USA was ik gewoon de dichter – dat was daar ineens helemaal niet raar, daar waren heel veel vrouwelijke dichters. Wat een opluchting!

Op een middag had ik ergens voorgelezen, bij een mooie activiteit in de natuur, met een kleine ontvangst erna. Behalve mijn vertaalster waren er allerlei mensen van het stadje komen kijken en luisteren. Heel gezellig. Ik stond net zelf ook te keuvelen, met een glaasje, in het mooie zomerweer, toen ik achter mij de schelle stem van mijn vertaalster iets hoorde zeggen tegen een willekeurige bezoeker. Het ging over mij. En ze was niet aardig, tenminste, ze probeerde om niet aardig te zijn.

Ze probeerde tegen de man te zeggen ‘dat ik teveel verbeelding had’. Dat is in het Nederlands een begrijpelijke, wat negatieve uitdrukking. Als je die in het Amerikaans-Engels wilt vertalen, kun je het beste zoiets zeggen als ‘too conceited’. Dat deed ze niet, ze vertaalde het letterlijk. Misschien was ze niet helemaal helder of had ze net een glaasje teveel op. Ze zei met enige stemverheffing en een beetje verontwaardigd tegen de man dat ik ‘too much imagination’ had.

‘Too much imagination’, dat betekent vooral ‘teveel verbeeldingskracht’. Maar verbeeldingskracht kun je nooit teveel hebben. Het werd zo ineens een compliment. Ik hoorde het, onbedoeld ongetwijfeld, en ik moest zo lachen dat ik m’n eigen slok wijn nog op het nippertje kon binnenhouden. Ik keek om en stond oog in oog met de Amerikaan die dat net over mij te horen had gekregen.

Hij bekeek me met de grootst mogelijke bewondering. De rest van die receptie heeft hij voortdurend nadrukkelijk om me heen gedraaid, droeg beleefd zwijgend glazen aan, zei heel af en toe wat, maar staarde mij merendeels aan met een uitdrukking van groot ontzag. Mijn vertaalster keurde hij geen blik meer waardig, maar ik was duidelijk iets héél bijzonders.

Ik liet het mij mooi aanleunen en had die hele middag een grijns van oor tot oor. Ik heb het haar nooit uitgelegd. In de maanden erna verdween ze naar een andere staat en ik weet niet waar ze gebleven is.

[1] https://iwp.uiowa.edu/ Voor mijn aanwezigheid, zie https://iwp.uiowa.edu/residency/participants-by-year/1995 (even naar onderen scrollen), “Western Europe, The Netherlands, Europe – Maria van DAALEN (poet, Netherlands, b. 1950; IWP 1995) studied Dutch language and literature, specializing in medieval Dutch courtly lyrics (of several hundred works in this genre, most are from the 14 th century). Since 1990 she has focused on her own poetry, publishing six books with her primary publisher, Querido (Amsterdam): Raveslag, 1989 (The Beat of the Raven’s Wing); Onder het hart , 1992 (literally, Under the heart or Pregnancy); Het Hotel, 1994 (The Hotel); Het geschenk//De maker, 1996 (The Gift//The Maker); Elektron, muon, tau , 2000, which is a book of sonnets, partly bilingual American-English and Dutch (all sonnets written in both languages by the poet), and YO! de liefde, 2003 (Wow! it’s love). She has taught Creative Writing with American Studies (University of Groningen) and is currently writing an essay on Vodou (voodoo) as a conception of reality.”

DE KOOLMEES EN DE GENERAAL

Als je hier uit de deur naar de kersenbloesem loopt en dan naar links, vind je binnen enkele minuten aan de linkerkant een voortuintje met een groot beeld. Ik fiets er regelmatig langs, altijd met een half oog op de auto die ervoor geparkeerd zal staan, want dat is steevast een oude Amerikaanse slee met van die haaienvinnen achterop. Prachtig.

De eigenaar van het pand handelt erin, denk ik, want er staan steeds andere auto’s. Ik heb hem er weleens op aangesproken toen hij net uitstapte. Hij reageerde nogal schrikachtig totdat hij begreep dat ik een stille bewonderaar ben die trouwens zelf niet rijdt. Maar goed, daar gaat het nu niet over.
Het gaat over dat beeld.

Ik dacht dat het een boeddha was. Gewoon zo een die je in de tuinwinkel kunt kopen maar dan levensgroot. Maar op zeker moment zag ik tot m’n droefenis dat iemand ’m het hoofd had afgeslagen. Wie doet nou zoiets? Ik fietste mopperend verder.

Intussen was het me opgevallen dat het helemaal geen boeddhabeeld was. Het was iemand met een kuras aan van over elkaar heen vallende lamellen, oorspronkelijk vast van een dik soort leer.
Het was een militair.

De enige militair die me te binnen schoot, was generaal Guan Yu, omdat die ook een groot beeld heeft vlak achter de ingang van restaurant T’ang Dynasty, een kleine honderd meter verder in diezelfde noordelijke fietsrichting. Al staat generaal Guan Yu eigenlijk altijd en dit beeld was neergezegen op één knie, de linker.
Maar nu dus zonder hoofd.

Ik bleef erop letten als ik er langs fietste. En dacht elke keer, heen of terug van het station: jakkes.
Tot vandaag.

Vanuit m’n ooghoek zag ik iets langs flitsen en dat verdween in het hoofd. Oh nee, in de opengeslagen opening van de kapotte hals, zo te zien met wat scherpe uitsteeksels rondom.
Huh?

Ik stopte. Ik keek om me heen: even niemand te zien. Terwijl al dagen allerlei volk met foto- en filmcamera’s en smartphones het fietspad onveilig maakt vanwege de prachtige kersenbloesems.
Ik schuifelde met fiets en al voorzichtig wat achteruit om goed zicht te hebben op de onthoofde hals.

Daar kwam een koolmees uit.

Koolmezen zijn een gedecideerd soort vogels. Ze weten wat ze willen. En ze weten ook hoe ze dat héél duidelijk moeten communiceren. Ik ben al eens uitgescholden door een koolmees omdat ik het gedurfd had om de meidoorn te snoeien: ‘…en er zaten zulke lekkere miertjes op die takken!’. En kortgeleden nog maakte een koolmees zich hevig druk om het feit dat ik de pindaslingers had verwijderd. Gelukkig was ik zelf even niet in de tuin. (Ik durfde me er die dag ook niet meer te vertonen.)

Maar deze koolmees kwam uít de hals. En toen ik bleef staan, vloog hij (zij?) daarna weer ín de hals. Zo te zien met een bekje vol lekkere insectjes.

Even nog dacht ik: zal ik de bewoner inlichten. Maar nee. Stel je voor dat er iemand gaat staan kijken. Dichtbij. Of nog meer iemanden. Einde verhaal wat de kleine koolmeesjes betreft.

Ik heb zelfs geen foto gemaakt. Van die tien meter afstand zie je er bijna niks van met een smartphone.
Ik ben netjes op de fiets gestapt en naar huis gefietst. En daar zit ik dit nu te tikken.

“…zoetigheid ging uit van den sterke…” denk ik met grote bijbelvastheid.
Is Richteren 14:14, Statenvertaling, lieve lezertjes.

UPDATE: De eigenaar/s hebben er net het hoofd weer opgeplakt (jul/aug). De meesjes zijn vast allang uitgevlogen.

EVENWICHT IS EEN DANS: Een vodoupriesteres op Bali (2008)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Opmaat
Ik ben vodoupriesteres. Dat is in Nederland exotisch, maar niet op Haïti, waar men ‘80% roomskatholiek en 100% vodou’ is. Er wonen negen miljoen Haïtianen op Haïti en honderdduizenden in Canada en Amerika en Frankrijk; je kunt gerust stellen dat er tienduizend vodoupriester/s/essen zijn, merendeels op Haïti.

Hoe ik erbij kwam om mij in augustus 2007 te laten inwijden, is een lang verhaal. Dat ik een roman wilde vertalen waarin vodou een rol speelde; dat ik tijdens het onderzoek naar de religie gefascineerd raakte; dat ik mij thuisvoel bij de grote en warme tempelfamilie in Port-au-Prince, de hoofdstad van Haïti, waartoe ik behoor, als mambo asogwe [1]: daarvan doe ik later in een boek [2] verslag. Maar wat betekent het, als je als vodoupriesteres verzeild raakt in de religieuze omgeving van het Balinese Hindoeïsme? Ik wil u graag meenemen op een bijzondere reis, met literaire en spirituele belevenissen.

Hier zijn alvast de foto’s: https://www.flickr.com/photos/31744136@N05/sets/72157608383656645

Het ritme van de taal
Toen ik eind augustus 2007 terugkwam uit Haïti, en al half op weg was naar een schrijversappartement in Athene, lag er een uitnodiging van de Nederlandse ambassade te Jakarta voor deelname aan een schrijversfestival op Bali. Ik nam die met genoegen aan, omdat ik veel gehoord had van het prachtige eiland en nog nooit in de ‘gordel van smaragd’ geweest was. Mijn enige bezoek [3] aan Azië was in 1996, tijdens een poëziefestival in Kuala Lumpur (Maleisië).

Naar Indonesië gaan, dat was emotioneel: mijn vader was er negen maanden geweest tijdens de wederopbouw, als scheepsbouwkundig ingenieur; toen hij terugkwam, in 1952, sprak hij Maleis. Ik was twee jaar en herinner me de nieuwe taal, waarvan ik klank en ritme onthield, en zelfs enkele woorden.
Mijn tante had jaren in Sukabumi gewoond en twee van mijn neven waren er geboren. Ik belde de oudste, die als een oudere broer voor me is. Hij was ontroerd en zei peinzend: ‘Als je geland ben in Denpasar en de vliegtuigdeur gaat open, ga je een uur huilen.’

De geur van frangipani
Dat gebeurde niet dadelijk. Maar toen ik de eerste frangipani-bloesem opraapte van de grond, vlakbij het zwembad van het hotel, en die kruidige zoetheid rook, op de grens van geurloosheid, wenste ik dat ik alles uit m’n koffers kon gooien en die tot de rand vullen met deze koele, ivoorwitte bloesems, om er thuis de rest van m’n leven mijn hoofd in te kunnen begraven. Ik besefte dat ik nooit de woorden zou vinden om frangipani op te roepen.
Mijn redding was simpel. Ik deed wat ik de Balinezen zag doen, vrouwen en mannen, ik stak een bloem achter m’n oor. De jongens van het hotel lachten verrukt en knikten, ‘Beautiful! You Balinese girl!’. Soms koos ik een vuurrode hibiscus waarvan de meeldraden langs m’n oor zwierden. Elke morgen kregen de standbeeldjes, demonen en goden, in de prachtige tuin rondom het zwembad, die rode bloesems achter hun oren. Ik was ervan overtuigd dat ze ermee ronddansten als ik even niet keek.

Dichterschap, priesterschap
Aan de festivalorganisatie had ik geschreven dat ik een mambo was, en men had direct een sessie georganiseerd voor ‘Nuns, Priests and Priestesses’ [4], waarbij ik in discussie zou gaan met om. een zwarte Amerikaanse van Nigeriaanse afkomst die gewijd was als Thaise non. Voor het eerst was ik als dichter èn als vodoupriesteres (manbo, mambo) op een literair festival. In literair Nederland was dat nog niet voorgekomen, daar reageerde men sceptisch op mijn religieuze overtuigingen [5]. Dichterschap is iets van 24 uur per dag, maar priesterschap ook. Voor mij hoort het bij elkaar: de taal is voor mij even speels en heilig als de dans van de geestwezens.
Daarom besloot ik op het laatste moment om mijn asson [6] mee te nemen naar Bali. Of ik die nodig zou hebben, wist ik niet. Een asson dient om de Loa [7] op te roepen. Het is een breekbaar instrument, een kalebas met een kralennet eromheen, en een altaarbelletje aan het handvat.

Tri Hita Karana
‘Tri Hita Karana’ was het thema van het festival. Het is een concept in het Balinese Hindoeïsme. De kosmos begrepen als een eenheid van drie werelden, God – Mens – Natuur. Niet statisch, maar in beweging: de relatie van de mens tot God, van de mens tot de ander, en van de mens tot zijn/haar omgeving. Vrede en geluk zijn het gevolg als men deze relaties onderhoudt en als alles in evenwicht is. Om dat voor elkaar te krijgen, moeten de relaties dagelijks hernieuwd worden. Dat zag ik gebeuren in de festivalstad, Ubud.

De eerste dag op Bali besloot ik te gaan wandelen, om mijn jetlag kwijt te raken. Ik zag onderweg een vrouw naar buiten komen, met iets van bloemen en wierook. Ze zette het aan de stoeprand, bad erbij en verdween naar binnen. Een huis verderop deed een tweede vrouw net zoiets, en bij hetvolgende huis weer. En nu zag ik het bij vrijwel elk huis en elke winkel. De gebaren die de ze maakten, kwamen me bekend voor. Dat zou ik in vodou ook zo doen. Ik besloot een vrouw te volgen en ernaar te vragen.

Kijk, daar liep iemand voor me uit met een dienblad, waar bloemen op lagen in bakjes van kokosblad, met een glas water erbij en brandende wierook. Toen ze stil stond, stond ik ook stil. Ze keek naar me uit haar ooghoek en wees dat ik een foto mocht nemen. Maar dat was mijn bedoeling niet. Ik wilde in gesprek komen over het ritueel, dat ik nu al een aantal vrouwen op steeds dezelfde manier had zien uitvoeren.

Ze wenkte me, en nam me mee naar binnen door een klein poortje. Er was een binnenplaatsje met een beeld van Ganesh, die ook zo’n mooi cadeautje kreeg. Vervolgens knielde ze bij een grote steen en zei me, dat eronder de nageboorte van haar kind begraven lag. Om de kwade demonen op afstand te houden, legde ze rijst in een bakje van blad neer; om de goede geesten op die plek te laten komen, legde ze een bloemenbakje op de grond en besprenkelde het met water en met arak. Tussen de bloemenbakjes en de stoep kwam een los blaadje, of een paars klaverbloempje, zodat het bakje niet direct met de vieze grond in contact zou komen. De sterke drank zat in een plastic flesje dat er precies uitzag als een maggiflesje thuis. Het sprenkelen deed ze draaiend en in drieën, links, rechts, midden. ‘Dat doen we in vodou ook zo,’ zei ik, ‘links-rechts-midden.’ En ik liet zien hoe ik met mijn hele lichaam in die drie richtingen buig, als ik dat doe. ‘Balance,’ zei ze, glimlachend. ‘Balance,’ glimlachte ik terug. Evenwicht houden tussen de verschillende krachten van het universum.
Dat evenwicht geldt de oneindige kosmos en ook gewoon de stoeprand van je huis. ‘Wij gebruiken water en rum,’ legde ik uit. ‘En parfums en soms wierook, en bloemen. En eten, ja, dat zouden we ook doen.’

Die hele dag liep ik rond, uren en uren en overal knoopte ik gesprekken aan met de vrouwen, die zo vanzelfsprekend de kosmos in evenwicht hielden met kleine geschenken en sierlijke gebaren. Later die week zei een Australische mevrouw, die op Bali woonde, dat het allemaal ‘superstition’ was, bijgeloof, en dat ze het haar bedienden niet kon afleren. ‘Maar als ze het niet doen, volgt er altijd een hoop ongeluk’, voegde ze er weinig logisch aan toe. Ik zat bij haar achterin de auto en zei wijselijk niets.

Pura Dalem
Intussen wilde ik graag een tempel bezoeken. Dan moest je een sarong dragen. Ktut, die in mijn hotel werkte, wilde mij er wel een lenen. Hij woonde naast de Pura Dalem, een tempel in Ubud, aan Jalan Hanuman. ‘Ik breng u even met de motorbike!’ We raceten door de achtertuinen naar zijn huis, ik zou het alleen nooit gevonden hebben. Zijn vrouw ontving mij glimlachend en deed mij de sarong om — niet eenvoudig, want Ktut en zijn vrouw waren klein en ik ben een forse blanke vrouw. ‘Er zijn hanengevechten,’ zei Ktut, ‘achterin de tempel, als u goed oplet, vindt u ze misschien.’

Op het tempelplein keken de priesters niet naar me om. In hun ogen was ik de zoveelste toerist. Maar ik liep op hen toe, en vouwde de witte zijden sjaal open waarin ik mijn asson bewaar; ik tilde die omhoog en liet het geluid horen dat de geestwezens oproept. Onmiddellijk stonden de priesters op. Ze spraken Bahasa en Balinees en een klein beetje Engels, maar we begrepen elkaar goed. Ze heetten mij welkom met water, met een lichte buiging. Ik boog terug, en toen hief ik het water omhoog, naar de vier richtingen, in een vodou-dans, en druppelde daarna driemaal water op de grond, voor de geestwezens. Allen begonnen te lachen en in de handen te klappen en door elkaar te praten. Ze wezen op mijn asson, ze wezen op mij, en toen wenkten ze en lieten mij de hele tempel zien… en brachten me naar de hanengevechten. Ik was er de enige vrouw. Het was mooi om te zien, die dans van de hanen, de zorgvuldige manier waarop de mannen met hun prijshaan omgingen, de bijzondere, magische mesjes die ze de hanen als sporen aanbonden, met rood draad.

‘You very lucky’
Mij werd ook verteld dat dit de eerste dag was van vier gelukbrengende dagen. ‘You very lucky,’ zeiden de priesters. ‘Omdat u nu in de tempel bent, zult u veel geluk ontvangen.’ Ik vergat het. De volgende morgen werd ik wakker – kerngezond. Ik was sinds mijn reis naar Haïti geplaagd door afschuwelijke maagpijnen, twee maanden lang, en mijn huisarts kon niets vinden. Vanaf mijn gesprek met de priesters in de Pura Dalem was het weg. En het is niet meer teruggekomen. Ik vertelde het aan de Balinese medewerker van het festival en hij knikte plechtig. ‘Mij overkwam net zoiets,’ zei hij, ‘ik had erge uitslag op m’n gezicht. Één nacht in de tempel, bij hetzelfde feest: en wèg…!’

La Sirène
Veel Australiërs op Bali gedroegen zich als kolonialen, in mijn ogen. Ze praatten over de lage prijzen van grond voor huizenbouw zonder aan de rijstbouw te denken en ze schenen de Balinezen alleen te zien als bedienden. ‘You have been to his house?!’ vroegen ze, toen ik bij Ktut was geweest, alsof dat het ergste was dat ze ooit hadden gehoord.

Ik zag bij het festival nauwelijks Balinezen in het publiek, en het kostte moeite om Indonesische schrijvers te spreken te krijgen. De dichter van Oost-Timor kwam zelf naar me toe en die van Papua-New Guinea eveneens – ontroerende ontmoetingen, ook gezien de historie van onze landen. Het lukte me om als enige Europeaan bij een rondetafelgesprek met de Indonesische auteurs aanwezig te zijn, wat ze op prijs stelden. Twee auteurs vertaalden spontaan voor me, omdat ik geen Bahasa sprak. Later gaf ik de festivalorganisatie het advies om de internationale auteurs, en de Balinese en Indonesische auteurs, meer met elkaar in gesprek te brengen. En om de Nederlandse auteur van volgend jaar ook een keer in het Nederlands te laten voorlezen, want in die week kwamen er heel wat Balinezen naar mij toe om Nederlands te praten, ook jonge mensen – voor mij, met de kolonialistische geschiedenis van Nederland, eerst tamelijk ongemakkelijk, voor hen echter niet. Een goede ervaring.

Maar er waren ook andere Australiërs. Op een van de vele feestjes van het festival, met heerlijk Balinees eten, zeiden twee jonge vrouwen voorzichtig: ‘U bent… vodoupriesteres? Mogen we wat vragen? Onze vriendin is zwanger, 12 weken, maar het gaat niet goed, ze ligt in het ziekenhuis en ze bloedt, ze gaat het kind verliezen en het is een erg gewild babytje… Kunt u… Wilt u…’ ‘Ik zal bidden,’ zei ik, ‘maar ik weet niet of het lukt.’ Die nacht vroeg ik telefonisch advies aan mijn Papa [8] in vodou. ‘Je moet bidden tot La Sirène,’ zei hij. La Sirène woont in de oceaan en die was in Ubud ver weg. Wat moest ik doen? Ik keek naar buiten. Het was middernacht en de volle maan stond boven het zwembad. Het zwembad! Op Bali was dat niet met chloor, maar met zout. Zout water is geen ‘symbool’ van La Sirène, het is haar manifestatie. Die nacht bad ik bij het zwembad. De volgende dag hoorde ik, dat de moeder voor het eerst in 12 weken goed geslapen had. Ik bad in de nacht opnieuw bij het zwembad. De dag erna was het bloeden gestopt, een echografie wees uit dat de inwendige wond geheeld was, de artsen zeiden dat ze het kind zou behouden. Haar vriendinnen kwamen huilend naar me toe om mijn geestwezens te danken. Een vodoupriesteres op Bali: een heilzame combinatie van Hindoeïsme en vodou.


Appendix 1
Het Ubud Writers & Readers Festival, www.ubudwritersfestival.com, kwam voort uit een initiatief om kunst en cultuur in te zetten tegen terrorisme, kort na de eerste bomaanslagen op Bali in 2002. Er wonen veel Australiërs op het eiland, permanent of  tijdelijk, en de organisatie is grotendeels in Australische handen.
De focus van het festival is op Aziatische kunst en cultuur; het werk van de auteurs, Indonesisch of internationaal, die worden uitgenodigd, heeft er zo mogelijk betrekking op, of het houdt verband met het thema van dat jaar. Dit jaar, 14 t/m 19 okt 2008, was het thema ‘Tri Hita Karana’, en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, www.nlpfv.nl en de ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta, hadden geoordeeld, dat mijn mystieke poëzie het juiste antwoord was op dit spirituele thema.

Appendix 2
Op Bali heb ik ook een dag lang rondgereden en de tempel Tampak Siring gezien, met de beroemde vulkanische bronnen, de vulkaan Batur en het meer ernaast, een ecologische koffie- en cacaoplantage, en vele dorpen, waar feesten gehouden werden. Ik heb gesprekken gevoerd over begrippen als ‘anyaman’, weven als filosofisch èn architectonisch concept, met ‘anyaman bamboe’ als het meest gebruikte. En over de heiligheid van water en het uitdrukken van oneindigheid in een zwembad dat ogenschijnlijk oplost in de hemel. Maar dat is weer een heel nieuw verhaal…

Appendix 3
Een uitstekende en vrij volledige beschrijving van alle Balinees-Hindoeïstische rituelen en hun betekenis vindt men in het boek ‘BALI / Sekala & Niskala // Essays on Religion, Ritual, and Art’ van Fred B. Eiseman, jr. (Periplus Ed. , 1990), een heel leesbaar boek over het Hindoeïsme en de speciale Balinese vorm ervan, de filosofie en de mythologie, de voorwerpen, de handelingen, de kalender, de dansen en de muziek.

= = =
NOTEN
1 Mambo: Vodoupriesteres. (Houngan: Vodoupriester.) Mambo Asogwe (Houngan Asogwe) is de hoogste van de drie graden van inwijding.
2 ‘Spiegel van Mysteriën’, voor uitgeverij Querido.
3 Een verslag van mijn reis is opgenomen in mijn verhalenbundel ‘De zwarte engel’ (kleine Uil, Groningen, 2005), onder de titel ‘De god van het geluk // de waringin’, pp. 7-18.
4 Ik trad tijdens het festival op bij vijf literaire sessies, en was aanwezig bij acht andere, officiële bijeenkomsten. Zie Appendix 1 voor meer informatie over het festival.
5 Ik ben tevens roomskatholiek.
6 Asson: ratel van kalebas met kralen, gewijd instrument van de priester/es in Haïtiaanse vodou.
7 Loa: (enkelvoud en meervoud, ook gespeld lwa/s) geestwezens, ook ‘mystères’ of ‘anges’ (engelen) genaamd.
8 De priester die mij gewijd heeft, is mijn ‘Papa’ in vodou, voluit mijn ‘Papa Kanzo’.

HEEFT DE TOEKOMST ONS LIEF

Heggenmussen broeden in triootjes. Twee mannetjes, één vrouwtje. Twee vrouwtjes, één mannetje. Ze maken er een geweldige herrie bij, maar het ziet er meer uit alsof dat hun leven is, als de commedia del’arte van een camping vol met, ja, mensen die graag op een camping staan en hun liefdesleven niet binnen het tentdoek houden, dan alsof het verendek wordt volgescholden, zoals de huismussen doen.

Het bonte zandoogje is een zanderige vlinder die in bossen huist, dus net als de mussen in mijn dramatisch hoge coniferenhaag. Zandoogje vliegt om en om met een ander zandoogje omhoog in het daglicht. Zo lief, hè, van die dartelende vlindertjes. Ro-man-tisch. Het zijn altijd twee mannetjes, en dus twee rivalen, die in spiraaldans proberen elkaars vleugels te beschadigen, en elkaar de tuin uit te meppen.

De vijf in de vijver geboren en getogen goudvissen zijn: één goud en vier zwart. Ze worden zwart geboren. Als de kat de oranje karperachtige uit het water gevist heeft, wordt een van de vier anderen zienderogen goudkleurig. De rest blijft zwart. Law of Goldfish. Alpha male goud, de anderen hoogstens met een gouden vlekje achter de kieuw. Alpha male dood: een verschuiving in het peloton. De pikorde: goud gaat voorop en jaagt elke andere de vijver rond en rond.

Een tuin van 50 vierkante meter in Almere Buiten is een leerzaam studiegebied voor de liefde. Ik heb onbedoeld een keer in de weg gestaan van een merel die als een dolle een vrouwtje achterna zat. Pats. En elke winter komt de roodborst terug die vindt dat het zijn tuin is, en eigenlijk ook zijn mens, en hij gaat op een tak bij het slaapkamerraam naar binnen zitten loeren met een nog rooiere borst dan tevoren.

In NRC van afgelopen zaterdag werd de visie van bioloog Geerat Vermeij op de evolutie ontvouwt. Hij beschouwt “ecosystemen als economieeën” met oog voor de productiviteit van een ecosysteem; meer voedsel betekent een snellere ontwikkeling van soorten die bovendien elk sterker worden en onderling vijandiger; het ecosysteem als geheel wordt er afwisselender van en soortenrijker. “Roofdieren bijvoorbeeld hebben het meeste succes als zij eraan kunnen bijdragen dat het ecosysteem waarin zij leven almaar productiever wordt. Ik denk dat een systeem met toppredatoren productiever kan zijn omdat verschillende stoffen snel worden hergebruikt. Zonder predatoren gaat een groot deel van die stoffen verloren.” Het gold voor het Cambrium en dat is een tijd geleden, maar de wetenschapper gaf voorbeelden uit hedendaagse ecosystemen, bijv. dat de introductie van de wolf in Wyoming onverwacht tot gevolg heeft dat de bossen er beter groeien, immers zijn er minder herten om de bomen kaal te vreten. Het leek me wat kort door de bocht, ook de spitsvondigheid over de wapenwedloop die even in het wijdse uitzicht werd meegenomen. Je kunt van welk wapen dan ook moeilijk zeggen dat het een biologische aanpassing van de mens is zolang we geen robocops op straat zien. De oorspronkelijke visie echter bleef aan mijn ziel knagen; er zat een les in die iets in mij begrepen had, maar die mijn bewustzijn dagenlang niet kon opdiepen.

Als het nu ook eens zou gelden voor onze psyche – wat dat ook maar is, een ziel: konden we dan nog liefhebben? En wat voor liefde bedoelen we dan?

Ik slenterde de tuin in en ging op het bankje bij de vijver zitten. De schrijvertjes schreven het wateroppervlak vol met magische dichtregels die even snel oplosten als ze ontstonden, de goudvissen hapten naar wat ik niet zien kon, en de kikkers… waren verdwenen. In maart verschijnen de bruine kikkers uit het niets; één, drie, veel; nachten achtereen houden ze een diepe bromtoon aan die bijna op de rand van het gehoor ligt; ik slaap er op in en ik word ermee wakker; de vijver ligt vlak naast mijn slaapkamerraam. Op een ochtend zijn ze weg. Hocuspocus. Direct erna, in april, komen de groene kikkers; die zetten een enorme keel op, maar ook die: een paar weken, of het lijkt zo, en wèg. Als de vijver vol ligt met kikkerdril van de groene, zwemmen de kikkervisjes van de eerste lichting al rond. De goudvissen hebben het er maar druk mee. En op een ochtend in mei word ik wakker van een enorm geschetter en dan zitten, schreeuwen, vliegen en jagen er tien, vijftien eksters door de tuin achter al het rondhippend gekikkerte. Ik wist niet dat eksters kikkers aten; of misschien doden ze alleen.

Toen ik het bloedbad één keer had meegemaakt en ik bovendien zelf niet door de tuin kon lopen zonder op vijf kikkertjes tegelijk te trappen, besloot ik om elk volgend voorjaar het kikkerdril uit de vijver te scheppen zodra het gelegd was – of hoe heet dat met kikkerdril, gebaard? Te water gelaten? Het was een simpel besluit en het kon niet moeilijk zijn het ten uitvoer te leggen. Ik kocht een visnetje van het soort waarmee je vroeger stekelbaarsjes ging vangen en boog me over het wateroppervlak waar de bollende dril net bovenuit stak. Naast de dril zat een kikker. Één kikker. Een vrouwtje. En ze waakte over de eitjes. Ik schepte een net vol eruit. De kikker ging ongemakkelijk verzitten. Ik schepte er nog een netje uit. De kikker zwom dichter naar het overgebleven ingepakte kroost toe als om het onhandig te omarmen. Schep na schep lichtte ik de geleiachtige klompjes uit het water en mikte ze op de composthoop. Toen was er niets meer. De kikker begon doelloos rond te zwemmen. De volgende dag zag ik dat ze opnieuw kikkerdril gelegd had. Ik haalde het weg. De derde dag lag er nog een heel klein beetje, van twijfelachtige kwaliteit. Ook op de composthoop. De kikker zag ik pas terug in de zomer, toen ik een grasperkje afmaaide. Zij lag er dood, alleen nog dunne perkamentachtige huid. Doodgegaan door barensdrang? Zelfmoord? Heeft een kikker wanhoopsgevoelens, ik denk het niet. Maar wel een drang om te bewaren wat uit haar voortkomt – wat de eigen soort voortzetten moet. Een biologische drang.

Liefde is: behouden wat uit ons voorkomt, zoals kinderen, kroost en kikkerdril.

Kunst ook? Ja, maar niet op die manier. Kunst introduceert een morele inbedding en de biologische drang ligt daar nog voor. Het is verschrikkelijk als kunst opzettelijk kapot wordt gemaakt, als De Denker in stukken is gezaagd of de boeken verbrand worden, maar het lijkt niet onmiddelijk biologisch verschrikkelijk. Zou je niet theoretisch gezien altijd een nieuw beeld kunnen maken of een ander gedicht schrijven? Ik kan altijd een nieuw gedicht maken – laat ik hier alleen voor mezelf spreken. Als het niet publiek gemaakt mag worden: leer ik het uit m’n hoofd. Dan is het er toch, maar niemand kan me ervoor aanhouden en opsluiten.

Kinderen, kroost en kikkerdril echter: je kunt er nog wat meer baren of leggen, maar er is een biologische drang met ware doodsverachting die de nieuwe generatie van de eigen soort wil behouden. Kroost is een product van een andere orde dan kunst. Kroost zet niet zozeer mijn persoon voort, het zet de soort voort. Of ik ooit een onsterfelijke dichter ga worden, is van weinig belang als ik nog moet eten en ademen. Of mijn menselijke soort het nog een tijdje uithoudt, is van levensbelang. Op de spree killer proberen we een moreel en/of politiek antwoord te formuleren, maar de global warming, en of er voor ons nog toekomst is op de planeet: daar komen wel degelijk groene wijzigingen uit voort – ongeacht of het nu allemaal goed is voorspeld of toch weer niet. Ik vind het onjuist om dan te concluderen dat het cynisme, de leegte, de onverschilligheid de impasse verklaart die invalt na wat vreemd genoeg ‘zinloos geweld’ is gaan heten. Nee, we happen naar adem, er zijn morele vragen, er is schaamte… Maar pas als het voortbestaan van de soort in gevaar komt, gaan we wereldwijd wat doen. We hoeven dan de schrik niet te persoonlijk opvatten en kunnen de schaamte snel verhandelen. Groene stroom! Bewust afval scheiden! Oude mobieltjes inleveren! Geen spuitbus want de ozonlaag! Er zit een groeimarkt in dat voortbestaan van de soort. Niet het Fressen komt voor die Moral maar het voortbestaan. Eco-altruïsme heeft inderdaad economische waarde. De kikker die zichzelf… tsja, ‘opoffert’ van uitputting om maar kikkerdril uit te kunnen zetten.

Op dit punt aangekomen realiseerde ik me dat er enige ‘liefde bestaat niet!’, ‘sex rules!’ in de directe toekomst van mijn verhaal besloten lag. Je zou met evolutiebioloog Geerat Vermeij nog een betoogje kunnen opzetten over mannen en vrouwen als toppredatoren in het immer productievere ecosysteem van jong, mooi, gehaaid en aantrekkelijk. Maar ik geloof in de liefde, dus ik moest even terug naar het triootje van de heggenmus. Dat juist daarom zo verhelderend is omdat er niet gemakkelijk gesproken kan worden van liefde als een situatie van eigendom – ‘mijn vrouw die zo mooi is dat het statusverhogend werkt’ of ‘mijn man die zoveel verdient dat idem’. Heggenmussen offeren zich ook niet op voor de eieren en liefde als langdurige gehechtheid is er geen overweging; de triootjes zijn niet noodzakelijk elk jaar dezelfde en ontstaan alleen in de broedtijd.

Als ik geloof in de liefde: wat geloof ik dan? Ik heb er zojuist de laag van het voortbestaan van de soort af gepeld en er enkele andere schampere overwegingen achteraan gekeild. Wat ik wil weten heeft te maken met kwetsbaarheid.

Terwijl ik hiermee bezig was, was ik op Facebook in twee geheel gescheiden discussies verwikkeld geraakt, met mensen die ik grotendeels nog nooit ontmoet heb. De ene discussie had de zelfverbranding van de Iraanse asielzoeker tot onderwerp: of het een politieke daad was, of die te lezen was als een offer, of dat offer dan verhoord kon worden en of er nog sprake was van een louteringsaspect – een wat wonderlijke stellingname van diverse auteurs, waardoor ik mij begon af te vragen wat een offer precies is en vanuit welke visie we dat definiëren: de christelijke-Westeuropese is geheel anders dan die in de Haïtiaanse vodou. Loutering of verhoring speelt in vodou helemaal geen rol; een offer is een situatie van onderhandeling, het klassieke – pun intended – ‘do ut des’, ‘ik doe iets opdat u iets doet in antwoord’. Mijn persoonlijke visie is dan ook nog dat een offer dat enige loutering of verhoring wenst of verwacht, al helemaal geen naam meer mag maken op de kwalificatie ‘offer’; het werkelijke wegcijferen, het altruïsme sec, is de vanzelfsprekende daad, als van de kikker, maar dan als consequentie van een morele keuze, een daad die we pas achteraf een opoffering noemen als de keuze gemaakt is en dat ene leven voorbij. Konstandinos Koukidis die in 1941 van de Akropolis afsprong om die ene Griekse vlag te redden. Niemand ziet het behalve een paar soldaten van de bezettingsmacht. Ik heb er nog eens een gedicht over geschreven. Het werkelijke drama, dat met de volledige inzet, gebeurt bijna terloops en onopvallend. De symboliek ervan voegen we pas veel later toe.

De andere Facebook-discussie, op een niet gerelateerd forum, betrof de vraag of het helen en louteren van zielen niet ver uitgaat boven het offer dat men alleen voor zichzelf brengt om in de materiële wereld iets te kunnen vragen als tegenprestatie. Er werden verschillende religies naast elkaar gezet: welke was ‘beter’? Ik kon ook hier niet meegaan in de oordelen, ik denk werkelijk dat lichaam en geest tesamen mijn diverse ikken uitmaken. Dit is consistent met mijn religie; the ghost in the machine is geen vodou-concept. Wat ik voor het lichamelijke nu vraag, vraag ik voor de eeuwigheid van de psyche – als eeuwigheid al bestaat en niet een vergissing van het denken is, en als psyche….

Ik voerde schijnbaar de ene discussie als dichter, de andere als manbo – vodoupriesteres – maar dat is een kwestie van accounts. In mijn hoofd is het dezelfde beweging. In mijn hoofd gingen alle discussies onderling verbindingen aan; daarbij werd… daarbij wordt de volkomen inzet van het lichaam ook de volkomen inzet van de ziel. Als ik liefheb, is daarin het voortbestaan van de soort besloten. Als ik liefheb, zet ik de deur naar die toekomst open.

Want van belang is niet of de liefde toekomst heeft. ‘Toekomst’ is een integraal onderdeel van liefde. Iedereen die eraan begint, gaat toch weer uit van ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Is dat zielig? Nee. Tenzij je bedoelt dat ziel ermee verbonden is: omdat lichaam de inzet is. Zelfs de heggenmussen die notoir kort van memorie zijn, leven hun kortstondige drieeënheid als een ‘het hoort zo want het was altijd al zo en zo blijft het’. Ook het verleden krijgt zijn betekenis vanuit het gezichtspunt van de liefde. Ik houd van je met eeuwig terugwerkende kracht.

Ik houd van je, ik zet de deur open. Naar alle kanten in tijd en ruimte. Mijn liefde opent het zicht op kwetsbaarheid. Op lichaam. Ik moet terug naar de kunst.

In 1998 hoorde ik een jonge Engelse dichteres een gedicht voorlezen met de titel ‘Het verdriet van de man zonder kinderen’. Ik kan haar naam niet meer terugvinden en ik weet geen regel meer van het gedicht, maar de betekenis veranderde mijn blik op de wereld een heel klein en heel essentieel beetje. Als de evolutiebiologie ons de groeiende productiviteit van het ecosysteem voorhoudt, groeit daarin lichaam mee met ziel omdat ik één systeem ben. Als de dichtregel mijn blikrichting wijzigt, wijzigt mijn lichaam mee en siddert de productiviteit van het hele ecosysteem. Een enkel woord is magisch.

Ik neem een dichtbundel van Andrea Zanzotto (Italië, 1921) uit de kast om een gekend citaat na te lezen, maar het boek valt open bij een ansichtkaart die ik er ooit in legde, bij “La vita silenziosa”, ‘Het zwijgende leven’ dat door de dichter opgedragen is aan een geliefde: “ … O erbe che salite / verso buio duraturo, verso / qui omnia vincit.”, “… Oh groen dat opgaat / naar een blijvend duister, naar / qui omnia vincit.” Het levende Italiaans loopt dood in het nergens meer gesproken Latijn; de dode taal zegt ons de dood aan die alles en allen overwint, “qui omnia vincit”, maar het groen gaat op en gaat op, de grassen groeien, in het gedicht voor eeuwig, en in ons die het lezen, eeuwig, want een leven lang.

Ja, ik voorspel dat de liefde in ons toekomst heeft. De toekomst heeft ons lief in het lichaam, vanwege onze volledige inzet, tot qui vincit omnia.
– – –

* Uitgesproken op 13 april 2011, bij de SLAA, tijdens ‘Nacht van het Orakel’
** Destijds ter publicatie aangeboden aan de tijdschriften TERRAS en De Revisor. Door beiden geweigerd ⌃⌃
*** De dichteres van wie ik de naam en de publicatie toen niet kon terugvinden, is Katie Donovan. Het gedicht is getiteld "The Man With No Child" en staat in de bundel "Entering The Mare" (1997)

U KUNT HIER NIET PROFIELVRIJ LOPEN

Het is opmerkelijk hoe consistent ik ben in mijn dichterschap, mijn visie, mijn poëtica. Dit stukje is van mei 1992:

U KUNT HIER NIET PROFIELVRIJ LOPEN
of: Raster en registers

Raster? Gefeliciteerd. Raster is ouder dan ik, altijd al, en ik ben van 1950. Want elk themanummer verwijst mij naar het continuüm van de literatuur.

De eerste Raster die ik kocht was het W.F. Hermans-nummer, zomer 1971 – waarschijnlijk omdat iemand mij had aangeraden ‘Nooit meer slapen’ aan te schaffen teneinde mij af te raden geologie te gaan studeren. Daarna zag ik daar inderdaad vanaf – niet vanwege de beschreven gebeurtenissen, maar omdat schrijverschap mij nog veel gevaarlijker en langduriger leek. De volgende Raster die mij in handen kwam was het eerste nummer van de jaargang 1984, de jaargang met thema’s zoals ‘het groteske’, ‘utopie tegen utopie’ en ‘poëzie en kritiek’.

Lezend, toen en later, werd mij met terugwerkende kracht duidelijk dat ik intussen door tijd en literatuur was gereisd, onderweg naar de maker die ik ben en dat ik in dertien leerzame jaren was blijven zoeken in de herinnering van een cultuur: in bibliotheken die kluis na kluis hun oudste manuscripten voor mij openden; in scriptoria uit de 14e eeuw die de werkplaatsen van het schrijven zijn, met inkt uit galnoten, pennen versneden uit ganzeveren, met bladgoud en loodwit, met versieringen van penwerk en bladen van het zachtste perkament, het ‘abortief’, van de huid van een ongeboren kalfje.

Van de engel rest een veer nog
tussen de donskussens, vochtig
van dauw uit de paradijzen.

Maria strijkt over een bladzij,
haar vinger tempert het ritselen
van perkament, abortief. [1]

Ik had mijn tijd doorgebracht in een tijd waarin de tijd niet leek te bewegen en waarin de werktuigen eeuwenlang dezelfde bleven; ik had mij gespecialiseerd in wat wel de meest dichtgetimmerde teksten uit de hele wereldliteratuur moesten zijn: de hoofse liefdeslyriek, met haar vaste jargon, haar ‘register’, met haar nauw omschreven thematiek en motieven, met haar beperkingen van strofenschema, rijmschema en ritme dat bepaald werd door de melodie…

En niettemin heeft elk handschrift zijn gebruikerskenmerken, soms onachterhaalbaar in hun geschiedenis, die mij in het materiaal terugwijzen naar de hand van een mens; zoals er van elk handschrift altijd maar één exemplaar is: precies dat wat je voorzichtig uit de kluis tilt, voor je op tafel legt en opent, met die eigen, specifieke geur van droogte en ouderdom. “Ik was hier”; u bent hier niet de eerste, lezer.

En elk volgend “nieu lied” is een nieuwe beweging van pijn, zo geschreven dat de lezer of toehoorder even zijn/haar gezicht vertrekt omdat hij/zij die zelf ervaart; een beweging die vanaf het eerste woord tweestemmig is: er spreekt de dichter/”ic”-verteller die zich bewust is van zijn mogelijkheden en zijn meesterschap, die in zijn werkelijkheid een goed lied maakt en tegelijk spreekt de minnaar, die maar al te goed weet dat de werkelijkheid niet toereikend is en dat hij daarin met woorden niets volbrengt; hij kan alleen reiken, reiken: naar zijn geliefde die er niet is, naar de nacht die nog duren moet, naar de verleden tijd waarin zij hem een enkele aanraking toestond of naar de eeuwige voltrekking van dit gelukkige ogenblik van samenzijn. “Mijn hertze heift groot verlangen in…” “…Eer ic mi van di liete ontleden, / Ter doot liet ic mi eer ontliven.” (Scheiden is erger dan de dood.)

Terwijl zijn gedicht zich ontrolt van regel naar regel weet de dichter dat hij zelf die minnaar is die de tijd probeert stil te zetten met zijn uiterste inzet, met de inzet van zijn hele lichaam – hij zingt het lied temidden van het gezelschap, als een bewijs van zijn volledige deelname – en hij weet dat hij in dit verlangen volledig moet mislukken.

Bij de toehoorder springt de goddelijke vonk over bij de ervaring van de haast onverdragelijke discrepantie tussen de schoonheid van het maken en het gemaakte en de onvervulbaarheid van het verlangen, dat al tot zo’n grote hoogte is opgeschroefd dat het nooit vervulbaar is. De beperkingen (naar woordkeuze enz., zie boven) die de dichter zichzelf oplegt in deze lyriek, dienen er alleen maar toe om de essentiële onvervulbaarheid zo scherp mogelijk te stellen, om een ervaring van “ghenouchlic pijn” te maken die ook niets anders meer behelst dan verlangen en pijn – omdat de woorden en de beelden bekend zijn, terwijl de wijze waarop ze zijn samengebracht nieuw is.

In deze poëzie is verlangen zelf beweging, transcendentie. “Fête de l’immanence de la transcendance, la fin amor est cependant et essentiellement un art du Sens.”[2]. In de woorden van de 14de-eeuwse dichter-componist Guillaume de Machaut: “Car qui de sentement ne fait / Son ouevre et son chant contrefait.” En volgens een Vlaamse tijdgenoot: “Want aerbeit ende const te zamen / Beroert zinnen ende lechamen.”

Wat een “goet nieu liet” moet veroorzaken is ‘beroering’, dat is ‘beweging’, ‘aanraking’; ook ’emotie’ en ‘motivatie’, niet in een reiken naar het goede/schone voorbij het lichaam in een eeuwigheid, maar om het lichaam en zijn grenzen tot het uiterste te beleven in het nu dat ik ben.

Ik heb mij altijd afgevraagd, Diotima, of wie op zijn doodsbed nog een haan aan Asklepios wil wijden zich daarmee niet gewoon uitspreekt voor het leven? S. vraagt om het dier dat de morgen aankondigt te offeren aan de god die de genezer is; een god dus van levenden, niet van doden. Ook zij die zeggen na de dood voort te leven hebben geen geneesheer nodig. De haan is een offer voor wie morgen weer gewoon in het nu ontwaken.

Eeuwigheid is immers maar een woord, daar kan ik niet in wonen. Ik moet de beweging van de transcendentie beleven in het lichaam dat ik ben, in het denken dat ik liefhebbend voortzet. In die beleving is mijn onmacht opgenomen; ik kan immers mijzelf pas verlaten als ik de gifbeker gedronken heb en dan is die beleving niet meer mogelijk. De transcendentie is niet leeg, want ik vul die; maar er is geen ander doel dan de beweging ervan. Ik ben die ik ben: op die wijze en om die reden.

Het werk of “ouevre” (oorspr. spelling) van de dichter/maker en de kunst van het verlangen of “chant” van de minnaar brengen deze beweging alleen samen teweeg. Het publiek houdt de aandacht gericht op de vraag: welke woorden kiest de schrijver uit het bekende idioom, welke paradoxen zet hij ons voor en hoe bouwt hij zijn contrasten op – kortom, hoe laat hij ons onze condition humaine ervaren? Een lied lang duurt het onmogelijke: “Wie minlic es in liefs bedwanc/ Gheen tijt mach hem dincken lanc…”

De overeenkomst tussen hoofse liedkunst en mijn eigen werk zag ik pas toen ik door een Raster de 20ste eeuw weer binnenging. Sindsdien… maar gaat het nu ineens over geloof? Soms geloof ik dat de [geschreven] taal het kwaad is omdat die de beweging vastlegt en ik balanceer met volle inzet tussen “Hope” en “Twifel”, als een hoofse dichter, in mijn ambigüe positie als dichteres en als minnares: maker die de liefde tot de steeds ontsnappende werkelijkheid wil vormgeven. “[De moderne dichter] probeert zich voortdurend te ontdoen van alle voorbeelden, nog van het voorbeeld dat hij voor zichzelf geworden is, door steeds nieuwe relaties tot de realiteit te ‘produceren’ om zodoende iets te redden van de continuïteit…”[3] die ik ben, van mijn eenzaamheid, van mijn eenheid van taal en ervaring; van de beweging die een mens is; van de continuïteit van de literatuur.

Het bordje langs het baanvak zag er erg tijdelijk uit. “U kunt hier niet profielvrij lopen” las ik in het voorbijgaan. Ik keek peinzend naar mijn pumps – een mooi, tragisch woord voor hooggehakte, dichte damesschoenen; een woord met dezelfde degelijke kwaliteit als brogues. Maar profielvrij, vrees ik.

Naast mij was al enige tijd een monoloog gaande van een reiziger tegen een zwijgende jonge vrouw en langzaam drong het tot mij door dat het baanvakbordje niet handelde over schoeisel. “Het profiel is dat van de trein”, zei de reiziger met stemverheffing.

“profiel” [Van Dale, p.1939] – “(spoorw.) profiel van de vrije ruimte, doorsnede (loodrecht op de rails) van de ruimte boven de spoorbaan, waarbinnen zich geen vaste of losse onderdelen van constructies mogen bevinden.”

N.B. Dit citaat maakt deel uit van de betekenis van ‘profiel’ als ‘beloop, resp. tekening van een verticale doorsnede’.

Niet profielvrij: wanneer u zich hier bevindt kunt u worden meegesleurd. Begrijpt u dat, reiziger? Ook met uw stevigste schoeisel bent u hier niet veilig. U kunt even meehollen; dan moet u zich vastklampen; u wordt bonkend van seinpaal naar seinpaal vervoerd. En aan het eind gaat uw hoofd eraf, tenzij u alsnog kans ziet om de deuren tijdens de rit te openen. Maar ook dan wacht u ergens de dood. Want hier doet iedereen mee; er zijn geen andere verliezers. Kom, we vertrekken.


Uit: De Middenpagina nr. 7, mei 1992 (over het tijdschrift RASTER), pp. 102-104 (‘De Middenpagina’ was een maandelijkse uitgave van De Balie, Amsterdam, van 1991 – onbekend)

[1] Later opgenomen in "De wet van behoud van energie", Querido 2007, p.57
[2] Julia Kristeva, "Histoires d'amour", p.263
[3] Cyrille Offermans, "De kracht van het ongrijpbare", p.262

MILAAN

P1030158

Milaan. Daar ben ik eerder geweest. Twintig jaar geleden, 1993.
Ik herinner me een weidse stad, met kalme mensen die voorbeeldig gekleed zijn, de mannen met dure handgemaakte montecristo’s op de keurig gekapte hoofden, handgemaakte lichtbruine brogues aan de voeten en tussen beide in, mooie linnen zomerpakken met onberispelijke vouw. De roze krant onder de arm of losjes in de hand, een leren polstasje, een ray-ban. Je vloog op Linate met KLM of een andere nette airline en je nam de taxi naar het centrum.
Ik nam een taxi.
Toen we na korte tijd in de verte de Duomo zagen, de onbeschrijfelijke marmerwitte suikertaartkathedraal, waar hoog bovenuit die ene krullerige pinakel rijst, met Onze Lieve Vrouw in glanzend goud, stopte de taxi. Middenop de snelweg.
Het was niet druk.
De chauffeur gooide het raampje open alsof hij iets bijzonders aan de wereld te verkondigen had. Achter het stuur gezeten breidde hij dramatisch de armen wijd uit en sloot even de ogen. Daarop richtte hij zich met heel zijn ziel naar de suikertaart aan de einder.
“Oh Madonnina, che guarda Milano!!” O kleine Madonna die Milaan overziet – en erop past.
Het was ten dele spel. Ik hoorde opera-wanhoop, maar ook een onbeschrijfelijk geluk. Het was goed om in Milaan te wonen, zelfs als je maar taxichauffeur was. En dat gouden dingetje in de verte was dus een Mariaatje. Dat wist ik dan alvast. Want internet bestond niet en ik had geen idee wat ik er zou aantreffen – behalve dan de Italiaanse minnaar van dat moment, die in de Viale Sabotino woonde. De Viale –niet een achterafstraatje, zoals je gezien de naam zou verwachten, maar best een behoorlijke weg- raakte later nog ergens in een dichtwerk verzeild.

Ik vond de Viale op de kaart toen ik er met Pinksteren rondwandelde, maar had niet de animo om de tram te nemen. Al waren de trams nog steeds oud en van hout en oranje. Waarom zou je in het verleden ronddwalen, het heden is steeds veel schitterender – omdat je leeft.
Maar Milaan had geleden. De recessie was het voortdurende onderwerp van gesprek. De financiën, de politiek, Europa. ‘Waar komt u vandaan? Paesi Bassi?? Oh, Holland! Hoe is het bij u?’ Mooi geklede mannen zag ik nauwelijks – een enkele oude heer, ’s morgens vroeg, kalm wandelend van de vroegmis naar huis. Er was veel shoppend publiek, al moest de uitverkoop nog beginnen, zei men mij. Er waren niet mèèr bedelaars op straat dan in 1993, al waren ze nog steeds grotendeels Afrikaans en verkochten ze nu naast de gebruikelijke Louis Vuitton-namaak ook kinderboekjes, zo te zien thuisgedrukt, met Afrikaanse verhaaltjes. Tegen de avond zag ik er de veelal Senegalese vrouwen mee naar huis wiegelen, een grote stapel op hun hoofd.
Het was tjokvol toeristen. Rond de Dom waren allerhande acts bezig, met veel lawaai en muziek. In het stadscentrum stonden de groene legerjeeps geparkeerd van de ESERCITO, Operazione “Strade sicure”. Mannen in uniform met zware bewapening, opvallende kogelvrije vesten en blauwe en zwarte baretten stonden in de brandende zon bij de ingangen van de kerk en controleerden rugzakken en tassen.
De grandeur van twintig jaar terug was vervaagd, vergeeld. Of gewoon verdwenen. Het viel me niettemin op dat het openbaar vervoer tamelijk goed onderhouden was en de wegen ook. Maar de mensen niet. Er was armoe. Men droeg polyester en nylon; linnen of zijde zag ik vrijwel nergens. Slippers, geen schoenen. Bllotshoods. Weinig smartphones; voorzover ze er waren, bepaalden ze niet het straatbeeld met mensen die naar beeldschermpjes staren; het leek er meer op dat de phone tot een instrument geworden was. Mensen waren doelbewust op weg of even doelbewust aan het shoppen; ik zag gezichten en aanwezigheid.
De prijzen waren overal opvallend laag, ook in de restaurants. Amsterdam was ineens duur, vergeleken met Milaan. Een rare gewaarwording.

 

Phacelia #Almere Buiten

P1020659

 

 

 

Ergens in de late jaren negentig, toen ik nog in Groningen woonde, in de Bandoengstraat, in een appartementencomplex dat na mijn verhuizing direct is afgebroken, liet de gemeente een piepklein landje inzaaien, pal voor m’n deur. Dat ging met de hand. Een oude boer, op klompen, in een versleten broek met stukken op de knieën, liep heen en weer in een klassieke boustrofedon http://nl.wikipedia.org/wiki/Boustrofedon en zaaide de grond in. Zijn linkerarm omklemde een zinken bak met zaad – heel kleine zaadjes – en zijn rechterhand deed telkens een graai en strooide het dan wijds uit, met bewonderenswaardige regelmaat. Ik ben naast hem gaan lopen: heen, terug, heen en weer terug en ondervroeg hem over het werk. Hij in zijn kortaffe bloemrijke Grunnigs legde mij uit dat hij dit z’n hele leven had gedaan, maar dat je dit op het land niet meer zo deed; alleen de gemeente vroeg hem nog weleens, voor kleine perkjes. ‘Ik dacht dat je altijd van je af moest strooien’, zei ik verrast, ‘maar u strooit naar u toe!’. Hij stond stil, gaf mij zonder veel omwegen de bak met zaad in de arm en liet het mij net zo lang proberen tot ik het ook kon. Het was als een muziekje: lopen, regelmatig stappend doorlopen, het veld over; dan rechterhand in de bak; dan draaien in de pols, maar wel het zaad in de hand houden; dan naar rechts zover mogelijk uitstrekken en zachtjes loslaten door de vingers te openen en te strekken, in het ‘kwartier’ van rechtsuit naar recht voor, het zaad laten dwarrelen; en dan weer de hand in de bak. Mooi werk. We liepen getweeën in “De zaaier” van Van Gogh, eerst van de zon af, dan naar de zon toe, steeds één pas verschuivend langs de horizon. Phacelia. Dat zaaiden we toen, de oude boer en ik.P1020663

Phacelia tanacetifolia http://www.soortenbank.nl/soorten.php?soortengroep=flora_nl_v2&id=1630&menuentry=soorten. Ik vergat het nooit. Toen ik het zag in Almere, wist ik dat ik de volgende keer mijn camera zou meenemen. Kijk, daar in de verte is de bibliotheek, pal achter het stoplicht en links moet het NS station zijn.