AMERSFOORT (2)

Als ik op een vroege avond langs de Eem fiets, over het dijkje, met een laag zonnetje links of linksachter, hoor ik het ineens: een ver miauwen, rechts, hoog boven de weilanden. De buizerd.

Jahoor. De forse bruine roofvogel, nu een klein silhouet tegen de avondlucht, draait kalm z’n spiralende rondjes op de thermiek. En schreeuwt, ‘miauwt’. Duikt dan ineens een groepje bomen in alsof hij zich laat vallen en komt er even later weer uit, traag stijgend. Of hij wat gevangen heeft, kan ik niet zien, daar is het te ver voor.

Ongetwijfeld zijn de duiven daar in paniek. Maar hier, op de Eemdijk, heerst de avondrust.

Er vliegt nog een meeuw over, en een enkele huiszwaluw. Straks bij de brug, bij de Malesluis, waar de Malewetering de Eem in stroomt, zullen tientallen huiszwaluwen rondzwieren. ‘Brugzwaluwen’, denk ik onwillekeurig, omdat ze onder de bruggen nestelen.

Overdag, in voorjaar en zomer, hoor je ook, de hele fietstocht lang, het ratelen van de karekieten in het riet langs de rivier; af en toe de roffel van een groene specht in de bomen aan de landzijde; een enkele keer het dunne geluidje van een waterral in het slootje beneden langs de dijk, ver onder de bunkers en kazematten van de Grebbelinie; en soms, in de hoge oude bomen van Landgoed Coelhorst, de koekoek (‘als de koekoek roept, gaat het regenen’).

Bij de woonboten, even voorbij het ziekenhuis aan de landzijde, vliegt de ijsvogel over: even die felle blauwende streep die als een kogel vlak voor m’n fiets langs schiet, van de rivier naar het binnenwatertje, of terug – alsof het jagende vogeltje pas op de vleugels gaat als hij mij ziet aankomen.