HOF DER GEDACHTEN

Het leven zelf is een ommuurde tuin
met wilde bloemen en met zomernachten,
geritsel van de egel en de zachte
geluiden van de duif die in de kruin

zit van de eik, de stam standvastig, schuin
gegroefd, vergroeid door schade ooit, de krachten
van wind en vuur. Van tranen. Maar ook brachten
de jaren het geluk. Een volle tuin.

Zelf werkzaam zijn, het goede te verwachten,
een open poort, een open hart, tevreden,
zo houd je alles groen en vol in bloei.

Dat vereist moed. Je leven, dat is groei.
Vrucht dragen is de allerbeste reden.
Ik ben mijn eigen tuin: Hof der Gedachten.

 

Op 8 juli 2026, ook mijn 76e verjaardag, werd dit gedicht feestelijk onthuld! Woningcorporatie de Alliantie had alle bewoners, en nog wat bekenden, uitgenodigd voor het vrolijke feestje dat volgde, nadat ik het sonnet had voorgelezen (mp4 hierboven): een ‘womibo’ met poëzie! Drankjes, hapjes, en een genoeglijk samenzijn met iedereen ‘van onze gang’ en van andere gangen 🙂

Cadeautje aan ons, van de 25-jarige Alliantie, en een cadeautje van mij (het sonnet), aan alle bewoners: omdat ik hier zo heerlijk woon en omdat iedereen hier zo vriendelijk is!

Het gedicht hangt in de hal van het gebouw waarvoor het is geschreven, mooi aangebracht (geciseleerd, lijkt het) op glanzend metaal – een heel gewicht!

De Letterpers in Amersfoort verzorgde de prachtige speciale editie, diepdruk, op Khadi papier (handgeschept):

AMERSFOORT (1)

Op een van de eerste dagen dat ik hier woonde, deed ik het raam open en hoorde het magische geluid: tapieieie… tapieieie…

Wat, een scholekster? Echt?

Die iconische vogel van het wad, ‘bonte piet’, waarvan die roep en de onverwachtse verschijning een zoute geur van eb en vloed meebrengen. De waddeneilanden, Vlieland, Ameland, Terschelling. Strandwandelingen en oneindige zomerdagen, zeventig jaar of meer geleden. De trage gang, blootsvoets, door het slik aan de Waddenzee-kant, langs schelpen, krabbetjes, zeewier.

Tapieieie…’, die blije toon van zo’n scholekster, zo van ‘kom maar hierheen, jongens, lekkere pieren en wormen!’, die hoog over onze hoofden zwiert… in Kattenbroek! Hoe is het mogelijk…

Jawel, hoor.

Ze broeden hier, de scholeksters. Op de daken.

Misschien zelfs recht boven m’n hoofd, want op deze vierde en hoogste verdieping is het dak ook heel duidelijk míjn dak. Al kan ik de eventuele nesten niet zien, want van de monteur die vorig jaar de zonnepanelen kwam inspecteren, mocht ik niet ook het dak op.

Begrijpelijk, met m’n stramme artrose-gewrichten. Maar jammer.

Intussen heb ik in de twee jaar dat ik hier woon, de fraaie wit-zwart-rode ‘bonte piet’ zo vaak gehoord in het lokale klanklandschap, dat ‘tapieieie…’ bijna even gewoon is als het koeren van de duiven, het krijsen van de meeuwen en het felle gepiep van de meerkoeten. Maar het vakantiegevoel erbij, dat blijft.

En wordt versterkt door Park Schothorst, met haar eeuwenoude beuken en het geurende rozenprieel vol zwaar zoemende bijen en hommels.

En door de vijver van Emiclaer met haar vele, vaak enorme vissen. Ook met kalm dobberende kuifeenden, duikende futen, pijlsnelle blauw-oranje ijsvogels, narrige Canadese ganzen.
Met gele lissen, waarover ik er een van m’n allereerste gedichten schreef, toen ik nog op de ‘lagere school’ zat. In Haarlem, op de Dreefschool.

En door het moerasje bij de Emiclaerse vijver, met de paars-bloeiende rietorchissen, gele ratelaars, gele grote wederiken, paarsige moerasandoorns, en wit-bloeiend waterdrieblad.

De volle maan.

De wuivende ginkgo’s en moeras-cipressen langs het Masker, met het speelnest van de eksters in een brede vertakking precies voor m’n raam.

De schitterende vergezichten bij de rivier Eem, als ik een uurtje ga fietsen over de dijk, aan de noord- cq. oostzijde ook een deel van de Grebbelinie.

De vriendelijke mensen die allemaal ‘goedemiddag’ zeggen, of gewoon ‘hallo’, met een vriendelijk hoofdknikje, als ik ze tegenkom op de dagelijkse wandeling.

Wat woon ik hier heerlijk.

VLEERMUIZEN

(1)

Ooit, in 1990, vond ik er eentje voor ons huis, in Groningen, in de wijk Helpman. Hij, of zij, lag plat op de grond, de vlerkjes uitgestrekt tegen het plaveisel. Er cirkelden wat katten uit de buurt omheen. De kinderen waren mij komen waarschuwen.

Het beestje bewoog nog, maar moeizaam. Zijn/haar oogjes hadden iets hysterisch. En hij piepte. Ik kon het tik-tik-tik van de radar van een vleermuis niet meer horen, daar was ik toen ook al te oud voor. Maar deze was dusdanig ziek en wanhopig dat hij hoorbaar piepte.

‘Jullie hebben hem toch niet aangeraakt?’ vroeg ik de kids. Nee, dat hadden ze gelukkig niet. Want ik had dadelijk gezien: rabies. Hondsdolheid. En de hondsdolheid van vleermuizen is een variant die voor ons mensen dodelijk is.

Of de katten het beestje hadden aangeraakt, weet ik niet. Nooit verder iets gehoord over besmetting, in de buurt. Dus dat is waarschijnlijk goed afgelopen.

Ik pakte m’n bouwhandschoenen (we waren toen aan het verbouwen) en een plastic doosje en deed het beestje daar voorzichtig in. Met gaatjes in het deksel zodat hij/zij voldoende lucht had. Toen belde ik de Dierenambulance.

Ze kwamen hem/haar dadelijk halen. De volgende morgen belden ze me: ja, rabies. En helaas overleden.

Arme vleermuis.

. . . . .

(2)

Mijn eerste buitenlandse poëziefestival was in Faenza, in 1992.
Op zekere avond was het ‘podium’ een plek voor een mooie oude ruïne, hel verlicht achter ons, de dichters, die een voor een voorlazen.

Ik las het gedicht ‘Onderweg’ (later gepubliceerd in ‘Het Hotel’, Querido, 1994, pp.10-12). Het was vertaald door mijn Italiaanse collega Stefano Dal Bianco. Ik las de Italiaanse vertaling voor.

Het envoy, de laatste strofe van het gedicht, begint met:
‘Een vleermuis is niet dichterbij dan een zwaan.
Ze gaan uiteen, deze
om te sterven, gene om zingend
te sterven. (…)’

Het eerste zelfstandig naamwoord van die strofe was dus ‘pipistrello’. Vleermuis.

Als je voor een grote groep mensen staat, kun je goed zien welk effect je woorden hebben. Bij ‘pipistrello’ zag ik heel wat mensen merkbaar schrikken.
Wat merkwaardig, dacht ik. Waarom zou je schrikken van een vleermuis in een gedicht? En ik las kalm verder.

Na afloop nam ik weer plaats in het publiek, naast de dichter-vertaler. Hij boog zich naar mij over.
‘Maria. Toen je pipistrello zei, kwam er achter je een enorme vleermuis uit de ruïne en bleef lange tijd kalm rondcirkelen boven je hoofd.’

. . . . .

(3)

In begin jaren tachtig (van de vorige eeuw) woonden we in de wijk Beijum, in Groningen, aan een klein woonerf, met aan drie kanten woningen. De vierde kant was toen nog vrij en je keek er uit op wat weilanden met vlakbij een oud boerenhuisje. ’s Avonds vlogen er weleens vleermuizen omheen.

Op een avond, ik was aan het koken en keek toevallig even uit het keukenraam, zag ik een groep mensen bij die open vierde zijde van het woonerfje staan. Er kwamen steeds meer mensen bij. Ze keken naar het weiland, met grote ogen, en praatten zacht dooreen. Wat zou er aan de hand zijn? Ik zette alles even uit en liep erheen.

Waar het oude huisje had gestaan, was alleen nog een kale plek in het weiland. Kennelijk was het die dag geruimd. Maar niemand had de vleermuizen gewaarschuwd. En omdat die nauwelijks iets zien en alleen op hun radar vliegen…

…vlogen de vleermuizen er nog steeds omheen. Of, dat dachten ze waarschijnlijk. In de invallende schemering vloog een wolk donkere vleermuizen precies rond en rond en rond de rechte hoeken en het schuine dak van het afwezige boerenhuis. Zodat dit huis zich helder aftekende binnen de bewegelijke wolk donkere vliegende schaduwen.

Het huis was weg maar het was er nog.

De vleermuizen aten onverstoorbaar vliegjes en mugjes en gaven in hun snelle kantelingen en scherp berekende vlucht, vorm aan een huis dat er niet was. Met rechte hoeken. Met een schuin dak.
We werden allemaal stil. We keken.

De volgende dag, in de avond, waren alle vleermuizen weg.