…in DBNL: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=daal008
https://neerlandistiek.nl/2013/09/tussen-ons-allen-vallen-eierschalen/
https://neerlandistiek.nl/2013/04/uberfijne-tijd-in-de-middeleeuwen/
“Op de vroege morgen toen de gedachte van weggaan de neiging van blijven overwon, zag ik hem de zoom van zijn kleed vullen met rozen, basilicum, hyacinten en geurige kruiden. Ik zei: Je weet, de bloemen blijven niet en het rozenhof komt zijn belofte niet na, en de wijzen hebben altijd gezegd: aan wat niet blijft moet je je niet hechten.” (Saadi, ‘De rozentuin’, in de vertaling van J.T.P. de Bruijn)
Het jonge rode blad van de rozenstruik in april is alweer groen uitgespreid, fijn gekarteld, een schaduw
voor een heggenmus die druk insecten zoekt, pikt, kakelt.
Het vliegtuiggeluid hoog boven hem maakt hem niet onzeker, zoals het mij doet,
weg, weg, uitgezet? Of de weg naar huis, langs cumulostratus wolken, als een god door de aether
met vleugels aan de voeten en een thyrsusstaf.
Moet ik dan misschien de ontluikende klimop plukken, een dionysisch vers zeggen, een plengoffer van Kretenzische wijn
uitgieten in de Rozentuin, waar geen aarde is die het ontvangt,
alleen een eeuwig bevroren vijver die windveren spiegelt?
‘Wend u, wend u, gij Sulammitische…’
Ik liet de zomen uit mijn handen glippen maar draaide mij niet om
naar het blauw van het tegeltableau, en de pauwen,
naar de twee zuilen die één ingang zijn,
naar de stroming tussen beide.
Kon ik nog terug? (‘Terug, kom terug, Sulammitische…’)
Is niet de enige taak van de boodschapper: breng de boodschap?
Ik ben niet de boodschap
ongeacht welke vorst mij aan u zendt.
Ik schrijf het advies
dat na negen eeuwen aanspoelt op het adres waaraan het is ontsnapt
en eerst exotisch is, dan een gedicht, en tenslotte de adem van een arme danser
die danst voor God. Laat mij u bezien,
een engel zonder lichaam of genade,
bedenk dat niemand mij beter kent dan u
en kies. Er is geen ruimte voor afwezigheid.
Zelfs de roodborst probeert me van de bank te verjagen waar ik zit met een boek dat niet wil vlotten,
een zon die niet wil opgaan, een lied dat verdrinkt in de muntthee
die koud geworden, alleen nog meisjes/mugjes/motten lokt, geen heldere gedachten;
de schaduw van Plato blijft niet achter me op de buitenmuur overeind.
Ik zweer je, ik was zeker van de overwinning,
de laurierkrans uit de keuken lag te geuren op het aanrecht,
de dovemansoren van de dovenetel zwierden rond tussen het onkruid
van mijn wensen en verlangens: naar huis, naar huis –
maar huis was weg, weg, stof geworden, zoals wij allemaal straks – nog even wachten, het duurt niet lang, het doet geen pijn
of bijna niet, net de tandarts;
ik durf niet te kijken.
Ik keek toch.
Is de rechtsstaat voor iedereen
of is het sappelen, zie dat je krijgt waar je recht op hebt, denk je,
of waar anderen zeggen dat zij recht op hebben,
terwijl jij het verschil niet ziet.
Een paspoort heeft geen huidskleur,
huidskleur heeft geen paspoort,
een weg heeft hoogstens een stippellijn. In het midden.
Er vliegt een vink over de heg
zonder rekening te houden met de buren
of met de grens tussen landen en bezittingen.
Er is weinig zo mooi als de werkelijkheid
maar ik begrijp ook niet waarom ik er niet welkom ben,
alsof ik mijn toegangskaartje niet betaald had.
Ik heb dat niet betaald, dat deed mijn moeder.
Ze ligt in de aarde, tussen hier en ginder,
het is dichtbij, ik nam een handvol aarde mee,
kijk maar, dat cederhouten doosje op mijn schrijftafel,
als ik het zo mag noemen, een schriftje op m’n knie.
Weet je waar het lied is gebleven? Het lied van de lijster,
ook het lied van het korstmos, en van de egel; en de basso continuo van een ver onweer, het contrapunt
van de afdruk van een hoefijzer, drie dagen oud, in de sneeuw.
Er kleeft bloed aan.
Het bloeden van goudverf van een icoon, onder duizend kaarsen,
het bloeden van een rode jas in het ochtendlicht,
het bloed van een man die al drie dagen op de grond ligt.
Oud bloed. Zwart als drukinkt, als weerzin, als het oog van de angst,
er valt niets meer te zeggen.
Dacht ik.
Toen kwam de maan op,
in drie delen, een voor elk kwartier;
haal adem, er is geen diepte meer.
Maar:
de ekster greep in. ‘Roept!’
‘Roept, roept!’
Als niemand roept, kan het ook avond worden
en dag en middag, en weer avond;
maar ochtend wordt het niet.
Iemand moet roepen.
Iemand moet roepen, heel hard
en dan moet iemand roepen,
en iemand roept. Iemand, en iemand, en iemand
en iemand, roept.
De ekster spreidde zijn staart totdat alles diepblauw werd;
tot wij zagen dat de cumulostratus en de windvegen,
tot wij zagen dat de Wilde Jacht en de doodsoorzaken
en de onvindbare kogel en het lege bevel,
tot wij zagen dat er onder de taal,
dat er onder de taal een holte was.
Een kleine holte. Net genoeg voor de veldmuis om zich te verbergen,
voor het lied om een grondtoon te verzamelen,
voor één zonnebloemzaad dat wortelde, en uitliep, en werd vertrapt,
en zo dezelfde grond voedde die het had voortgebracht.
Ik keek naar de maan.
Ik keek naar de maan en ik nam mijn glas wijn en behendig,
als een derwisjdanser, met één hand opgeheven en één hand neer-
waarts, zo
liet ik het vallen, drie droppels rood en zoet, en
bevend, belegen zoals ik, eeuwig, gerijpt als God, zoals fotonen
uit de hand van de Maker: dank. Dank, mijn liefste. Ik weet nu
dat je bestaat.
Er is een weg. Ik weet niet waar die is.
Er is een weg. Ik hoor ver klokgelui,
er vaart een schip voorbij zonder dat ik het water zie,
er vliegt een reiger over zonder kaart of kompas. Of GPS.
Iemand knipte de bladeren van de maple tree uit tegen de lucht,
iemand verzamelde het licht van de sterren in een mantel,
iemand zong zachtjes over een nieuw fundament.
Zo heeft God de wereld bedoeld,
zo, dat weet ik zeker.
Niet met zekerheden maar met twijfels.
Met de schoonheid van het eeuwig ignoramus.
Met de liefde van het verloren mogen gaan.
Oh, open de deur, ik stap er in!
Want ergens is een nieuw, en altijd oud, adres.
…
http://ooteoote.nl/2016/06/vertaallab-79-maria-van-daalen-de-boodschapper/
PALMPASEN 2016: EEN LIED <English translation: underneath>
*Voor Ere Lievonen, organist. Ook voor mijn dochter Catharina.
In het borduurwerk resoneren de handen,
in petitpoint, de vingers van vroeger,
toen de grootste snelheid die van een vogel was
of van een geoefend skiër langs de helling.
Schrijf eens slalom in de sneeuw
of sneeuw in het zand:
is dat beweging?
Struikel niet:
een halve kruissteek op het rechtzinnige linnen
geeft de naam van de hand
gaandeweg
van linksonder naar rechtsboven –
een engel die wegwiekt
in de steken – rechts, averechts – van ajour, de bezige vingers.
Stilte. En de jaren dat zij leefde.
De rimpelingen van de vijver resoneren in de glazen kom met knikkers en regenwater:
zo beneden, zo boven,
we reconstrueren alles volgens onze eigen bloedlijn.
Daar voorbij zien we niets.
Maar het is er wel.
Sterren die hun gaswolk aanblazen,
zwarte gaten die hun gammastraling volhouden,
licht dat breekt in een oog dat breekt;
goudvissen die hun kikkerdril eten,
mitochondriën die hun moederspoor maken
en sterrenstof verbinden.
Ik wist niet meer wat ik je moest schrijven toen ik las dat je zoon was aangereden en dood was.
Het verdriet stond als een slagboom in de tuin. Alleen vandaag geopend.
Het is altijd vandaag.
Wie bent u, de tuinman?
Raak mij niet aan.
Een aanraking telt niet, in tekst. Niet in lied of muziek.
Aanraken telt niet in mondelinge overlevering.
Noli me tangere. Vertel mij door: dit is de wereld.
Er is maar één weg.
Wie was geboren, stierf eerst.
De schoonheid van het fossiel is eindig.
Ook de dood is eindig.
Wat betekent een plant, een steen, een vlinder,
een electron in het oog van een Rembrandt?
Waarom zou de evolutie zich lineair voltrekken? Ook tijd is onderhevig aan voorbijgaan.
‘Twee maal twee is slechts schijnbaar vier; men moet rekening houden met de slijtage die optreedt bij het multipliceren.’ [1]
Alleen wie het doorgeeft, spreekt.
– – – – – – – – –
[1] Marten Toonder (in : Heer Bommel en de kwade inblazingen, 1967/1968).
– – – – – – – – –
PALM SUNDAY 2016: A SONG
*For Ere Lievonen, organist. Also for my daughter Catharina.
In the embroidery resound the hands,
in petitpoint, the fingers from old times,
when the greatest velocity was that of a bird,
or of a well trained skier along the hillside.
Do write slalom in the snow,
or snow in the sand:
is that movement?
Don’t stumble:
half a cross stitch on the righteous linen
shows the name of the hand
always onwards
from left down to right up –
an angel flies on wings
in the stitches – knit, purl – of openwork, the active fingers.
Silence. And the years that she lived.
The ripples in the pond resound in the glass bowl with marbles and rainwater:
so beneath, so above,
we reconstruct everything according to our own bloodline
beyond which we can’t see.
But it is there.
Stars that blow on their gas clouds,
black holes that keep working on their gamma rays,
light that breaks in an eye that breaks;
goldfish that eat their frogspawn,
mitochondria that make the mother lineage
and connect star dust.
I didn’t know what to write to you when I read that your son had been hit by a car and was dead.
The grief stood like a barrier in the garden. Only open today.
It is always today.
Who are you, the gardener?
Do not touch me.
A touch doesn’t count, in text. Not in song, nor in music.
Touching doesn’t count in oral transmission.
Noli me tangere. Keep speaking me: this is the world.
There is only one way.
Who was born, did die first.
The beauty of the fossil is temporarily.
Also death is temporarily.
What’s the meaning of a plant, a stone, a butterfly,
an electron in the eye of a Rembrandt?
Why would evolution be lineary? Time also partakes of passing.
“Two times two only seemingly makes four; the wear and tear that occurs with multiplication should be taken into account.” [1]
Only the one who passes it on, is speaking.
– – – – – – – – –
[1] Marten Toonder (in : Heer Bommel en de kwade inblazingen, 1967/1968).
‘De maan! De maan staat aan de nacht’, zegt zij, weer-
barstig, tilt met twee open handjes het licht
naar de duisterende gewelven. Het zicht
is karig, maar de maan hangt als een juweel
aan het blauwende speldenkussen. Zoveel
geluk in de vorm van een sikkel die dicht
op de rand van het donker zit, zich opricht
om toe te slaan en te oogsten. Als de neer-
gaande beweging die over mij waakt, schrijft
wie ik zijn moet, heeft lichaam mij verzoend
met de eindigheid van taal, met het laatste
woord dat mijn vorm is. ‘Kom!’ zeg ik. Nu haasten,
naar huis, een ster verschiet, hollend en joelend,
‘Oma! Oma!’, waarbij ze mij steeds voor blijft.
– – –
Van de engel rest een veer nog
tussen de donskussens, vochtig
van dauw uit de paradijzen.
Maria strijkt over een bladzij,
haar vinger tempert het ritselen
van perkament, abortief.
Geloof is een onontkoombaar weten
waaraan de werkelijkheid ontijdig
in zout en zweet moet zijn ontwrongen.
Maar dat is past veel later.
Nu ademt nog een lelie zwaar na
onder het goud van een veeg zon.
…
*Een gewijzigde versie van dit gedicht in “De wet van behoud van energie”, Querido 2007, p. 57
*voor Yann
Hoe de rivier een lint legt langs je slapen,
bruisend maar grijs je haar omkranst, het zachte
weten: dat God zei ‘kom, liefste, we wachten
thuis op je’, je keek om, naar ons, je adem
aarzelde, kwam terug, beschreef onze namen,
je hart sloot ons in en je liet gedachten
los. Aartsengelen, serafijnen, machten
tilden je door het portal van de slaap en
omringen je. De Troon is zelf een woning
dichtbij verdriet. Wij weten dat niet. Aarde,
aarde, waar is Lilian? Hoe zon en maan
liefde en herinneringen bewaarden,
hoe het water je naam schrijft in de stroming:
Gods licht is een rivier, zien wij in tranen.
…
Uit: ‘IK WEET NIET WELKE WEG JE NEEMT’, bloemlezing, ed. Arie Boomsma, Prometheus 2015, p. 49
toen je lay lady lay zei, ik niet langer
daar lag of mocht liggen, allang een ander
daar lag, toen het kind huilde en vroeg om
liefde, en aandacht, toen het koud was, hoe
de deur dicht sloeg, door de wind, moe, zo moe
was de onmacht, ik hield het tegen, stom
geworden van ontroostbaarheid, verander
niets, houd vast, nooit meer werd deze buik zwanger
opengesneden en het bloedt. eindelijk
kent deze hand wat er mist, neemt het hart
zichzelf mee, op reis, er is geluk, leest
aren, en letters, en muziek. geneest
niets meer dat niet al levend was, is, start
opnieuw, met hetzelfde, de tekst een lyric
…
Uit: ‘ALS EEN ZWERFKEI / Dichters over Dylan’, ed. Kees ‘t Hart & John Schoorl, Nijgh & Van Ditmar 2015, p. 40
‘Uitvoerders van de Eindstrijd’ zegt een feesboeker.
‘Is er wel een arbiter voor die apocalyps’, denk ik praktisch.
‘Wie fluit er? Wie zijn de grensrechters?’
Het blijft stil in de zaal.
Dat er geen dokter aanwezig is, begrijp ik wel.
Die zitten thuis en typen moeizaam hun diagnoses uit op een toetsenbord dat gemaakt is voor computerdeskundigen. In een taal voor computers.
Niet voor mensen die zich met het lichaam bezighouden.
Niet voor de taal van het lichaam.
Wat ik hier doe, is ook tamelijk verward op die manier.
Wat heeft een a met pijn van doen
anders dan in het beroemde gedicht van Zbigniew Herbert?
“Marsyas howls…
Apollo is cleaning his instrument”
De uitvinders van de Eindstrijd hameren er op los.
Timmeren alles in elkaar alsof het niets is.
De atomen zweven jolig weg om ergens anders deel van uit te gaan maken.
Leonardo Da Vinci’s atomen vullen een kerkraam.
Walvisatomen vullen een geknakte kalashnikov.
De poep van al die IS-strijders vult nog geen halve kamelenpoep.
Het blijft sukkelen.
Je kunt alles vernietigen en dan bedenkt er toch weer iemand een Higgsdeeltje
dat buiten de aarde om zweeft en god zegt
of wordt
of verliest.
Ik kijk naar buiten en zie de eindstrijd van miljoenen roze kersenbloesems.
Kersen komen er niet.
Aan het eind waait het zich los en dwarrelt –
niet als bijen
niet “mit verneinender Gebärde” –
warrelt zacht als strooisel
als een sneeuw
zacht
als sneeuw
…
*Zie voor “Apollo and Marsyas” van Zbigniew Herbert bijv. http://www.nybooks.com/articles/archives/2007/apr/26/the-philosophy-of-3-am/
**Zie voor Rilke’s “Herbst” bijv. http://www.unsplendid.com/2-3/2-3_rilke_autumn_frames.htm
***En zie Nijhoff voor Nijhoff, # bijen
****En zie Leopold voor Leopold, # een sneeuw