Van 1962-1968 was ik een leerling van het [toen nog] Gereformeerd Gymnasium aan de Keizersgracht in Amsterdam. Halverwege die tijd werd de naam gewijzigd in Woltjer Gymnasium en in 1972, toen ik studeerde aan de VU (Nederlandse taal- en letterkunde), werd het gymnasium opgeheven.
Ik vond het een rare beslissing, want juist zo’n kleine school, met een paar honderd leerlingen in één overzichtelijk gebouw, was enorm gezellig. Maar alles moest groot, groter, grootst, de Mammoetwet werd ingevoerd, scholen werden enorme leerfabrieken en alles verdween. Leek het.
Er was nog een reünie in september 1989, toen Querido net m’n eerste dichtbundel had gepubliceerd. Voor de zekerheid had ik een oude schoolfoto meegenomen naar die reünie en dat was verstandig, want niemand herkende mij meer. Het verlegen meisje met van dat steile melkboerenhondenhaar was nu een hooggehakte magere vrouw met spierwit gebleekte spikes.
Aan mijn gymnasiumtijd heb ik ooit één gedicht gewijd.
Dat was het.
Dacht ik.
Maar in april van dit jaar kwam er een reünie. Met de oude schoolband. Met al die mensen aan wie ik weleens met enige weemoed had teruggedacht, in al die jaren, op al die reizen, in al die landen, ver ver weg.
Daar was iedereen. Of, bijna iedereen. Er waren namen weggevallen, gezichten weggevallen. Maar er waren nog foto’s.
En wij waren er nog.
De goede vriendin die ik leerde kennen in klas 2, in 1963, en die nog steeds mijn beste vriendin is, die ook moeder werd en oma is, ging met mij mee, en wij hadden een prachtige dag. Met iedereen.
Of ik wel een gedicht wilde voordragen, was mij tevoren gevraagd. Dat deed ik.
Het gedicht dat ik ooit schreef, ‘Gereformeerd Gymnasium’, dat werd gepubliceerd in ‘De wet van behoud van energie’ (Querido, 2007).
Maar ook een soort tegenhanger ervan, met de titel ‘Ut Cognoscant Nos’, voor de reüniecommissie geschreven, maar wijder, ruimer, en een levensbericht.
En… ‘steek je hand op’, een cabaretesk geintje, met herinneringen, en herkenning voor heel wat aanwezigen, dat zag ik wel aan de gezichten terwijl ik het las.
Kijk:
‘UT COGNOSCANT NOS’
Zes jaar schooltijd was een scherp bewaarde schat
achter een dichtgevallen deur – sterfgeval,
verlies, vergeten. Alleen de twee vriendschappen
waren meegegaan naar later en door die
ogen, door die ruimte kijk ik terug, ik zie
het geluk van lezen en schrijven ontsnappen:
Latijn, Grieks, Frans, Duits, Engels, Nederlands, al-
maar taal en meer taal wast aan van blad tot blad
en bloeit door de dood heen naar het licht. Ik liep
alles na, een dode taal in vaste regels
opent het venster: adem voorbij de punt.
Kunst is vormgeving van emotie. Je kunt
jezelf zien hollen in de verte, nu levens-
groot. ‘Ken uzelve’, zei de stem in Delphi.
. . . . .
steek je hand op
als er gerookt werd in de meisjes-wc
steek je hand op
als er gespiekt werd bij meneer Scheps en hij dwars door de klas met grote
passen naar de deur beende, die opentrok en ‘Fraus! Fraus!’ door de school deed galmen
steek je hand op
als er gezoend werd in Krasnapolsky
steek je hand op
als het enorme schilderij achter de rector in de kamer van de rector
onbegrijpelijk was en verwarrend
Apollo en Marsyas, dacht ik
met dat mensenvel dat erbij hangt, je weet wel
maar op de foto uit 1964 zie ik dat het een soort proclamatie is
zo is het geheugen, betrouwbaar als horror
romantisch ben je, dichter
steek je hand op
want de rellen bij De Telegraaf
je zeulde je zware leren schooltas door het traangas
steek je hand op
toen de Beatles door de grachten voeren
Inez en ik drosten ’m, de Vijzelgrachtbrug, we gilden ‘Paul! Paul!’
steek je hand op
Beatrix’ en Claus’ verloving, reden vlak langs me, grote auto
ik maakte foto’s met m’n Kodak Instamatic
vond zojuist de negatieven terug
steek je hand op
als je je hand opstak: ‘Meneer, mag het raam open?’, dat mocht niet
Inez en ik deden het raam open
we werden drie dagen van school gestuurd
‘Eindelijk’, zuchtte mijn vader, achter mijn rug, proestend, tegen mijn moeder
steek je hand op…
bij Von Berg: de Latijnse vertaling
‘wat nou, vertaling, iedereen heeft het gemaakt, toch?’, fluisterde Inez naast me
ik stak mijn hand niet op, maar Von Berg wees mij aan
en ik las het Latijn voor
‘JE VERTALING!’ – de magere Von Berg was briesend
‘maar iedereen verstaat dit nu toch?’, zei ik argeloos
toen ook Von Berg bijna huilend van het lachen over zijn bureau hing
durfde iedereen te lachen
. . . . .
GEREFORMEERD GYMNASIUM
Ut Cognoscant Te. Het was Latijn voor mij
dat gouden letters brandden op de gevel.
Ik sjouwde dagelijks met schooltas kregel
van station naar Keizersgracht en terug. Geen vrij
op zaterdag. Grote Avond, verliefd, hij
wil schuifelen, licht uit, er is geen regel
voor, in de meisjeswc hing de nevel
van sigaretten, pas op, je bent erbij.
Ik leerde hem pas kennen toen we een nacht
lang naar huis liepen na het eindexamen-
feest, de duur van een verlangen, op de tast
vonden we de weg, naar binnen, alles past
in elkaar. Vergeten ben ik alle namen
maar taal bleef eeuwig. Mijn minnaar kent mijn kracht.