(1)
Ooit, in 1990, vond ik er eentje voor ons huis, in Groningen, in de wijk Helpman. Hij, of zij, lag plat op de grond, de vlerkjes uitgestrekt tegen het plaveisel. Er cirkelden wat katten uit de buurt omheen. De kinderen waren mij komen waarschuwen.
Het beestje bewoog nog, maar moeizaam. Zijn/haar oogjes hadden iets hysterisch. En hij piepte. Ik kon het tik-tik-tik van de radar van een vleermuis niet meer horen, daar was ik toen ook al te oud voor. Maar deze was dusdanig ziek en wanhopig dat hij hoorbaar piepte.
‘Jullie hebben hem toch niet aangeraakt?’ vroeg ik de kids. Nee, dat hadden ze gelukkig niet. Want ik had dadelijk gezien: rabies. Hondsdolheid. En de hondsdolheid van vleermuizen is een variant die voor ons mensen dodelijk is.
Of de katten het beestje hadden aangeraakt, weet ik niet. Nooit verder iets gehoord over besmetting, in de buurt. Dus dat is waarschijnlijk goed afgelopen.
Ik pakte m’n bouwhandschoenen (we waren toen aan het verbouwen) en een plastic doosje en deed het beestje daar voorzichtig in. Met gaatjes in het deksel zodat hij/zij voldoende lucht had. Toen belde ik de Dierenambulance.
Ze kwamen hem/haar dadelijk halen. De volgende morgen belden ze me: ja, rabies. En helaas overleden.
Arme vleermuis.
. . . . .
(2)
Mijn eerste buitenlandse poëziefestival was in Faenza, in 1992.
Op zekere avond was het ‘podium’ een plek voor een mooie oude ruïne, hel verlicht achter ons, de dichters, die een voor een voorlazen.
Ik las het gedicht ‘Onderweg’ (later gepubliceerd in ‘Het Hotel’, Querido, 1994, pp.10-12). Het was vertaald door mijn Italiaanse collega Stefano Dal Bianco. Ik las de Italiaanse vertaling voor.
Het envoy, de laatste strofe van het gedicht, begint met:
‘Een vleermuis is niet dichterbij dan een zwaan.
Ze gaan uiteen, deze
om te sterven, gene om zingend
te sterven. (…)’
Het eerste zelfstandig naamwoord van die strofe was dus ‘pipistrello’. Vleermuis.
Als je voor een grote groep mensen staat, kun je goed zien welk effect je woorden hebben. Bij ‘pipistrello’ zag ik heel wat mensen merkbaar schrikken.
Wat merkwaardig, dacht ik. Waarom zou je schrikken van een vleermuis in een gedicht? En ik las kalm verder.
Na afloop nam ik weer plaats in het publiek, naast de dichter-vertaler. Hij boog zich naar mij over.
‘Maria. Toen je pipistrello zei, kwam er achter je een enorme vleermuis uit de ruïne en bleef lange tijd kalm rondcirkelen boven je hoofd.’
. . . . .
(3)
In begin jaren tachtig (van de vorige eeuw) woonden we in de wijk Beijum, in Groningen, aan een klein woonerf, met aan drie kanten woningen. De vierde kant was toen nog vrij en je keek er uit op wat weilanden met vlakbij een oud boerenhuisje. ’s Avonds vlogen er weleens vleermuizen omheen.
Op een avond, ik was aan het koken en keek toevallig even uit het keukenraam, zag ik een groep mensen bij die open vierde zijde van het woonerfje staan. Er kwamen steeds meer mensen bij. Ze keken naar het weiland, met grote ogen, en praatten zacht dooreen. Wat zou er aan de hand zijn? Ik zette alles even uit en liep erheen.
Waar het oude huisje had gestaan, was alleen nog een kale plek in het weiland. Kennelijk was het die dag geruimd. Maar niemand had de vleermuizen gewaarschuwd. En omdat die nauwelijks iets zien en alleen op hun radar vliegen…
…vlogen de vleermuizen er nog steeds omheen. Of, dat dachten ze waarschijnlijk. In de invallende schemering vloog een wolk donkere vleermuizen precies rond en rond en rond de rechte hoeken en het schuine dak van het afwezige boerenhuis. Zodat dit huis zich helder aftekende binnen de bewegelijke wolk donkere vliegende schaduwen.
Het huis was weg maar het was er nog.
De vleermuizen aten onverstoorbaar vliegjes en mugjes en gaven in hun snelle kantelingen en scherp berekende vlucht, vorm aan een huis dat er niet was. Met rechte hoeken. Met een schuin dak.
We werden allemaal stil. We keken.
De volgende dag, in de avond, waren alle vleermuizen weg.

