AMERSFOORT (1)

Op een van de eerste dagen dat ik hier woonde, deed ik het raam open en hoorde het magische geluid: tapieieie… tapieieie…

Wat, een scholekster? Echt?

Die iconische vogel van het wad, ‘bonte piet’, waarvan die roep en de onverwachtse verschijning een zoute geur van eb en vloed meebrengen. De waddeneilanden, Vlieland, Ameland, Terschelling. Strandwandelingen en oneindige zomerdagen, zeventig jaar of meer geleden. De trage gang, blootsvoets, door het slik aan de Waddenzee-kant, langs schelpen, krabbetjes, zeewier.

Tapieieie…’, die blije toon van zo’n scholekster, zo van ‘kom maar hierheen, jongens, lekkere pieren en wormen!’, die hoog over onze hoofden zwiert… in Kattenbroek! Hoe is het mogelijk…

Jawel, hoor.

Ze broeden hier, de scholeksters. Op de daken.

Misschien zelfs recht boven m’n hoofd, want op deze vierde en hoogste verdieping is het dak ook heel duidelijk míjn dak. Al kan ik de eventuele nesten niet zien, want van de monteur die vorig jaar de zonnepanelen kwam inspecteren, mocht ik niet ook het dak op.

Begrijpelijk, met m’n stramme artrose-gewrichten. Maar jammer.

Intussen heb ik in de twee jaar dat ik hier woon, de fraaie wit-zwart-rode ‘bonte piet’ zo vaak gehoord in het lokale klanklandschap, dat ‘tapieieie…’ bijna even gewoon is als het koeren van de duiven, het krijsen van de meeuwen en het felle gepiep van de meerkoeten. Maar het vakantiegevoel erbij, dat blijft.

En wordt versterkt door Park Schothorst, met haar eeuwenoude beuken en het geurende rozenprieel vol zwaar zoemende bijen en hommels.

En door de vijver van Emiclaer met haar vele, vaak enorme vissen. Ook met kalm dobberende kuifeenden, duikende futen, pijlsnelle blauw-oranje ijsvogels, narrige Canadese ganzen.
Met gele lissen, waarover ik er een van m’n allereerste gedichten schreef, toen ik nog op de ‘lagere school’ zat. In Haarlem, op de Dreefschool.

En door het moerasje bij de Emiclaerse vijver, met de paars-bloeiende rietorchissen, gele ratelaars, gele grote wederiken, paarsige moerasandoorns, en wit-bloeiend waterdrieblad.

De volle maan.

De wuivende ginkgo’s en moeras-cipressen langs het Masker, met het speelnest van de eksters in een brede vertakking precies voor m’n raam.

De schitterende vergezichten bij de rivier Eem, als ik een uurtje ga fietsen over de dijk, aan de noord- cq. oostzijde ook een deel van de Grebbelinie.

De vriendelijke mensen die allemaal ‘goedemiddag’ zeggen, of gewoon ‘hallo’, met een vriendelijk hoofdknikje, als ik ze tegenkom op de dagelijkse wandeling.

Wat woon ik hier heerlijk.